Medelijden met de barones

De expositie van renaissanceportretten in Londen zet aan tot denken over schoonheid en lelijkheid. Maar hoe geloofwaardig zijn deze portretten? Schilderde Hans Holbein Christina van Denemarken zoals ze was of maakte hij haar mooier?

Ineens hangt ze daar, op de tentoonstelling Renaissance Faces in de National Gallery in Londen: Christina van Denemarken. Dat is even schrikken. Je hebt dan al tientallen beroemde portretten achter de rug: Doge Leonardo Loredan van Giovanni Bellini bijvoorbeeld of het prachtige Portret van een man van Antonella da Messina, het Portret van een vrouw met spinnenwiel van Maarten van Heemskerck en Hans Holbeins geweldige Portret van Jean de Dinteville en Georges de Selve, beter bekend als ‘De ambassadeurs’. Allemaal hebben ze mooie koppen met edele gelaatstrekken en zijn ze neergezet in subtiele verfstreken. En vooral: ze zijn vertrouwenwekkend echt. En dus komt Christina als een schok.

Een jaar voordat Christina werd geschilderd, in 1537, overleed Jane Seymour, de derde vrouw van koning Hendrik VIII. Hendrik wilde een nieuwe vrouw, maar zoals dat ging in die dagen, hij was niet van plan haar zelf te zoeken. Dus trok Thomas Cromwell, zijn ‘Lord Chancellor’ eropuit; als hij een geschikte kandidaat vond zou Hans Holbein, meesterschilder aan het Engelse hof, overkomen om een portret van de kandidate te maken. Al snel stuit Cromwell in Brussel op Christina, de zestien jaar oude weduwe van de Milanese hertog Francesco Sforza. Hij is zo enthousiast over haar dat Holbein snel naar België reist. Als zijn portret van Christina aan Hendrik wordt voorgelegd, schiet de koning terstond in zo’n goed humeur dat hij de muzikanten van het paleis de hele dag laat spelen. Toch gaat het huwelijk niet door, volgens sommige bronnen vooral omdat Christina geen zin had in Hendrik, die toen al geen beste reputatie had.

De gevolgen van deze schijnbaar simpele afwijzing zijn desastreus. Cromwell trekt er weer opuit, vindt een nieuwe kandidate en laat Holbein opnieuw komen. Ook diens portret van Anna van Kleef weet Hendrik zeer te bekoren. Maar als Anna in levenden lijve aan Hendrik verschijnt, blijkt ze veel lelijker dan Holbein haar heeft afgebeeld. Hendrik noemt Anna een ‘Vlaamse merrie’, trouwt nog wel met haar, maar weigert het huwelijk te consumeren. Binnen een half jaar is de scheiding een feit. Cromwell wordt even later geëxecuteerd en Holbein krijgt geen enkele koninklijke opdracht meer. De koning heeft het vertrouwen in zijn schilder verloren.

Maar daar sta je dus, als toeschouwer

voor Christina. Tot dat moment was Renaissance Faces een tamelijk zorgeloze expositie. Een klassieke blockbuster, met veel pracht en praal, rijkdom, een tikje educatie en een scheutje nostalgie – de perfecte expositie voor de feestdagen. Christina brengt dat aan het wankelen. Want de vraag is natuurlijk: waar kijken we naar als we Christina zien? In hoeverre is Holbeins weergave betrouwbaar? In de catalogus meldt de National Gallery al dat een tijdgenoot over haar heeft geschreven: „very pure, fair of colour is she not” – en verdomd, als je langer naar haar kijkt zie je dat Holbein een paar interessante trucs heeft uitgehaald. Dat begint ermee dat Christina’s portret opvallend groot is en de schilder haar ten voeten uit heeft afgebeeld (wat je maar zelden ziet bij vrouwen in deze dagen), zodat ze op de toeschouwer neerkijkt. Ze draagt een sober maar rijk, zwart gewaad, afgezet met bont, dat een groot deel van het doek vult. Van haar lichaam zijn alleen haar gezicht en haar handen te zien. Die zijn opmerkelijk mooi; de handen, met elegante, dunne vingers houden een handschoen vast (klaar om die aan Hendrik te overhandigen natuurlijk); haar gezicht is jong en aanminnig. Maar wat haar vooral spannend maakt is de subtiele glimlach om haar lippen. Die doet meteen denken aan die van de Mona Lisa – bevallig, mysterieus, autonoom. Zo heeft Holbein door een paar simpele ingrepen van Christina een spannende vrouw gemaakt: sober en nederig aan de ene kant, maar bepaald niet voor de grijp. Geen wonder dat Hendrik zijn opwinding niet kon onderdrukken. Alleen: belazerde Holbein hem? En ons, bijna vijfhonderd jaar later erbij? En als Christina niet geloofwaardig is, waarom zouden de andere koppen op Renaissance Faces dat dan wel zijn? In hoeverre kun je portretten in het algemeen vertrouwen?

Het punt is natuurlijk: dat weten we niet. En we zullen het nooit weten ook. Van maar heel weinig mensen die op deze tentoonstelling hangen zijn meer afbeeldingen bekend en die maken vooral duidelijk dat de schilders niet schroomden om de werkelijkheid naar hun hand te zetten. De bottom-line van de portretkunst is toch dat iedere geportretteerde er goed wil uitzien, beladen met vriendelijkheid, schoonheid en wijsheid – daarvoor zijn zij nu eenmaal rijk en beroemd geworden en betaalden ze de Holbeins, Lotto’s en Titiaans van hun tijd enorme bedragen.

Dat betekent wel dat er voor ons, moderne toeschouwers, twee manieren van kijken mogelijk zijn. Je kunt ervoor kiezen alle ontluistering te negeren en koppig naar deze schilderijen te blijven kijken alsof de geportretteerden ons over de kloof van de eeuwen aanstaren. Dat is, helaas, de manier waaraan de National Gallery zelf de voorkeur geeft en dat is ook meteen de belangrijkste reden waarom Renaissance Faces soms wat tegenvalt. Het is trouwens niet de enige reden: zo lijkt de samenstelling nogal willekeurig, met veel portretten uit de eigen collectie. Daardoor ligt de nadruk op de Italianen (veel Lorenzo Lotto bijvoorbeeld) en komen de Nederlanders en de Vlamingen er nogal bekaaid vanaf. Jan van Eyck is gelukkig wel nadrukkelijk aanwezig (onder andere met zijn National Gallery-klassiekers Man met rode tulband en het Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw); maar een Noord-Europees portretmeesterwerk als Pieter Jan Foppesz en zijn familie van Maarten van Heemskerck ontbreekt.

Spijtiger is dat de National Gallery de bezoeker nauwelijks stimuleert om wat analytischer naar de portretten te kijken. Alsof het museum de illusie niet wil verstoren, alsof het de toeschouwer het gevoel wil laten houden in direct contact te staan met de mensen van vijf eeuwen her. Zou het iets met de aankomende Kerst te maken hebben? Een schilderij als dat van Christina bewijst al dat dat contact veel minder hecht is dan we willen geloven, maar het maakt ook duidelijk dat je als toeschouwer wordt beloond als je probeert voorbij het imago of de eerste indruk te kijken. Dan zie je in de zorgvuldig opgetrokken verschijningen, de scheuren op de plekken waar fantasie en werkelijkheid botsen.

Neem de zaal die is gewijd aan

het thema ‘Love and beauty’. Die hangt helemaal vol met koppen die zo perfect, bemind en geïdealiseerd zijn dat meteen duidelijk is dat de schilders hier meer bezig waren met het scheppen van volmaakte schoonheid dan met een benadering van de werkelijkheid. Het mooiste voorbeeld daarvan is Palma Vecchio’s Portret van een dichter. We zien een jonge man met een baardje en dromerige ogen die in romantische kleren voor zich uit zit te staren. Het is een geweldig portret, juist omdat bijna alle clichés van mannelijke poëtische schoonheid passeren: zachte huid, dromerige blik, gelaatstrekken die zowel op die van Jezus als van een trits Griekse filosofen lijken – een soort kuise zestiende-eeuwse homoporno is het. Tegelijk is dit portret zo perfect dat je nauwelijks nog gelooft dat het iets met een werkelijk mens te maken heeft. Dit is zo duidelijk fictie dat het de randen van de werkelijkheid overschrijdt.

Veel enerverender zijn de doeken waarop manipulatie en werkelijkheidspretentie stiekemer botsen. Dan doemen de echte mensen op, met karaktereigenschappen en zwaktes die je nieuwsgierig maken. Neem het prachtige portret dat Quinten Matsys schilderde van Peter Gillis, vriend van onder anderen Erasmus en Thomas More. Gillis zit er heel geloofwaardig bij, een vriendelijke, innemende man met een enigszins nonchalante houding. Alleen: op de boeken achter hem zijn de titels en de namen van de auteurs niet op de rug geschreven, maar op de zijkanten. Blijkbaar wilde Gillis zijn belezenheid zo graag etaleren dat het realisme daarvoor mocht worden opgeofferd, maar die opzichtigheid neemt je ook voor hem in. Of neem Mary Neville, Baroness Dacre die (nadat haar man was opgehangen) door Hans Eworth werd geschilderd als een klassieke rouwende matrone: net te dik, net te stuurs. Maar juist doordat deze ‘al te menselijke’ eigenschappen zo nadrukkelijk worden geëtaleerd geloof je dat ze er werkelijk zo heeft uitgezien en voel je zelf medelijden met haar.

De somberheid van Baronesse Dacre

leidt ons naar de intrigerendste doeken op deze tentoonstelling: die van lelijke mensen. Eén daarvan is een klassieker: het schilderij dat Domenico Ghirlandaio rond 1490 maakte van een oude man en zijn kleinzoon. Dit doek valt vooral op door het contrast: het kind is jong, mooi en engelachtig, de man vriendelijk, wijs en heeft een neus als een jonge bloemkool. De man leed vermoedelijk aan rhinophyma (een knobbelneus), maar dan nog blijft de vraag waarom hij zichzelf daarmee door de grote Ghirlandaio liet vereeuwigen. Dat geldt nog sterker voor de zogenaamde ‘Ugly Duchess’ van Quinten Matsys. Hierop zien we een vrouw met een grof gezicht, flaporen en een ruwe huid – haar gezicht heeft iets van een vuilnisman die te lang in de buitenlucht heeft gewerkt. Matsys kleedde haar aan met een witte sluier die met een groot diadeem op haar hoofd is vastgezet, een soort muts die wel iets van duiveltjeshorens heeft, en haar decolleté wordt ver naar boven gestuwd. Het geheel is bijna een parodie, alsof de vrouw een freak of een kermisattractie was – maar daarvoor lijkt ze weer te rijk. Volgens recent onderzoek leed ze aan de ziekte van Paget (osteitis deformans) die de botten doet vergroeien. Maar dan is nog steeds de vraag waarom ze zich zo liet vereeuwigen. En hoe betrouwbaar is het portret van haar man, die naast haar hangt, en die er juist zo normaal uit ziet? Wie wordt hier eigenlijk realistisch afgebeeld? Heeft hier soms iemand wraak genomen?

Dat is, ondanks de zwaktes van de tentoonstelling, het intrigerende aan Renaissance Faces. De expositie zet niet alleen aan tot denken over schoonheid en lelijkheid, maar ook over ons verlangen naar geloofwaardigheid. Hoe prettig het ook is om te analyseren, om de barsten te zoeken in het beeld, wie hier een tijdje rondloopt, beseft dat we uiteindelijk allemaal willen zijn als Hendrik VIII toen hij Holbeins Christina zag: mensen die opgaan in de wereld die de schilder ons voorspiegelt. Een mooiere wereld, met mooiere mensen. Of in ieder geval: een wereld waarin we willen geloven. Fluitend door de gangen, muziek op de achtergrond. Ergens wacht er iemand op ons.

‘Renaissance Faces: Van Eyck to Titian’. T/m 18 jan. in The National Gallery, Trafalgar Square, Londen. Dag 10-18u, woe 10-21u. Inl. www.nationalgallery.org.uk