Kuifje nee, duivensport jawel

Na Frankrijk, Duitsland en Nederland heeft nu ook België zijn ‘plaatsen van herinnering’: 66 plekken vol nationalisme, tweedracht en frieten.

Jo Tollebeek e.a. (red.): België, een parcours van herinnering.Plaatsen van geschiedenis en expansie (deel 1), Plaatsen van tweedracht, crisis en nostalgie (deel 2). Bert Bakker, 461 en 512 blz. € 100,–

In 1968 werd de universiteit van Leuven gesplitst – in een Nederlandstalige en een Franstalige universiteit. Leuven ligt in Vlaanderen, maar er woonden ook aardig wat Franstaligen. De universiteit was tweetalig. Het gezag werd er echter nog steeds uitgeoefend in het Frans. Vlaamse professoren en studenten wilden daar een einde aan maken. En ze kregen hun zin. Zíj bleven in Leuven. De Franstaligen werden verbannen, onder het motto ‘Walen buiten’. Voor hen werd een nieuwe universiteit gebouwd, dertig kilometer verderop. Meer dan dat: vandaag staat er ook een nieuwe stad, Louvain-la-Neuve.

Maar wat moest er in 1968 gebeuren met de bibliotheek van de universiteit van Leuven? Zowel Vlamingen als Franstaligen maakten er aanspraak op. Franstaligen wensten een verdeling pure et simple. En nu kregen zij hun zin. De boeken met oneven nummers bleven in Leuven. De even nummers gingen naar Wallonië. ‘Wie na de splitsing van de Leuvense universiteit in 1968 de bibliotheek bezocht, kon slechts hopen op geluk’, schrijft historicus Jo Tollebeek in België, een parcours van herinnering: ‘Zou het lemma dat men in de Grote Larousse wilde opzoeken in een oneven deel van de encyclopedie staan? Zou het artikel dat men in het Tijdschrift voor de Rechtswetenschap wilde raadplegen, in een oneven jaargang zijn gepubliceerd? Indien niet, dan was de tocht naar de bibliotheek vruchteloos geweest.’

Het is een gevaarlijke opdracht die Jo Tollebeek zich met een groep collega’s gesteld heeft. Met België, een parcours van herinnering willen ze hun land een nieuwe geschiedenis geven. In navolging van de Franse historicus Pierre Nora in de jaren tachtig van de vorige eeuw doen ze dat door het beschrijven van een aantal lieux de mémoire – plaatsen van herinnering. Voor Frankrijk deed Nora dat in zeven delen en 130 plaatsen. De Belgische versie bestaat uit twee delen waarin 66 plekken worden beschreven. Het Atomium natuurlijk, en de Leeuw van Waterloo. Maar ook plaatsen met een minder glorieus verleden. Het Heizelstadion, waar 39 mensen voetbalsupporters omkwamen in 1985. En het gerechtsgebouw van Neufchâteau, waaruit Marc Dutroux in 1998 ontsnapte. Bij elke plaats staat een foto van Theo Uytenhaak.

Een nieuwe geschiedenis voor België – dat is gevaarlijk omdat discussies over het verleden in dit land vaak ontaarden in een debat over het heden. Een heden waarin Vlamingen en Franstaligen ruziën over de toekomst. Sneuvelden er in de Eerste Wereldoorlog meer Vlamingen dan Walen? Waren Nederlandstaligen in Brussel vroeger in de meerderheid? Hielpen Antwerpse politieagenten tijdens de Tweede Wereldoorlog de nazi’s bij het afvoeren van joodse medeburgers? Wie dat soort vragen stelt, moet in België bedacht zijn op het politieke doel dat wordt nagestreefd door degene die het antwoord geeft.

Ook in deze boeken zijn de controverses nooit ver weg, zelfs in een hoofdstuk over Quiévrain, belangrijk als losplaats voor de duivensport. Een typisch Belgische sport volgens sommigen. Maar niet iedereen zal het daar mee eens zijn, schrijft Raf De Bont. Hij herinnert er aan dat Yves Leterme, de Vlaming die premier van België is, zich twee jaar geleden liet ontvallen dat de duivensport ‘Vlaams’ is.

Tollebeek en zijn collega’s gaan het gevaar niet uit de weg. Ze zoeken het juist op. Ze willen meer doen dan de geschiedenis van een plek beschrijven. Hun verhalen gaan ook over de herinneringen aan de historische gebeurtenissen, hoe die zijn veranderd en waarom. Dat lukt goed in het geval van de Groeningekouter in Kortrijk, waar in 1302 de Guldensporenslag plaatsvond. Het gevecht ging destijds tussen de Franse koning Filips de Schone en zijn leenman Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen. De laatste won.

Vlaamse nationalisten hebben het graag over de Guldensporenslag, als ze willen vertellen hoe lang ze al vechten voor ontvoogding. Maar zij zijn niet de enigen die de geschiedenis eren. De dag van de slag, 11 juli, is zelfs een officiële Vlaamse feestdag. Een groot muziekfeest in Brussel – ‘de Gulden ontsporing’ – zorgt er ieder jaar op die dag voor dat Nederlands weer even de belangrijkste taal is in het centrum van de hoofdstad.

Andreas Stynen beschrijft de jaarlijkse herdenking op de Groeningekouter. Het gaat er nu over Vlaanderen, dat ‘zijn rechtmatige plaats tussen de volkeren van Europa moet opeisen’. Ooit was het anders. Op het voormalige slagveld staan een beeld van een triomferende maagd en een toegangspoort. Maar beide zijn daar aan het begin van de vorige eeuw geplaatst met geld van de Belgische staat. Overwogen werd toen een inscriptie aan te brengen: ‘Op den Groeningekouter stond de wieg van België.’

Na de onafhankelijkheid van België in 1830 was er behoefte aan een glorieus verleden. De Guldensporenslag kon daar een bijdrage aan leveren, als voorloper van de Slag bij Waterloo in 1815. De vijand – Frankrijk – was immers dezelfde. De Guldensporenslag leende zich voor meer interpretaties. Bij de zeshonderdste verjaardag van de slag in 1902 benadrukten socialisten dat die feitelijk een vorm van klassenstrijd was. Het Vlaamse voetvolk dat de Franse ruiters versloeg, dat was niets minder dan een ‘overwinning van de internationale arbeidersklasse op de kapitalisten van het verleden’.

Pierre Nora en zijn collega’s die in de vorige eeuw de Franse lieux de mémoire beschreven, kozen voor een ruime interpretatie van het begrip ‘plaats’. Bij hen ging het niet alleen om plaatsen in de fysieke betekenis van het woord. Ze schreven ook over abstracte begrippen als de Marseillaise, ‘het genie van de Franse taal’, en le café. Duitse historici, die hun voorbeeld volgden, hadden het over Erinnerungsorte als de D-Mark, Blut und Boden, en de knieval van Willy Brandt in Warschau. De Franse en de Duitse boeken hadden daardoor de neiging al te zeer uit te waaieren, vond de Belgische redactie. Daarom geen Brabançonne (het Belgische volkslied dat de premier Yves Leterme vorig jaar vergeten was), geen Kuifje en zelfs geen Le plat pays van Brel in deze boeken. Net als in de Nederlandse Plaatsen van herinnering – tussen 2005 en 2007 verschenen – staan er alleen plaatsen in waar je echt naartoe kunt gaan. Anders dan de Nederlandse boeken, zijn de Belgische niet chronologisch opgezet.

Uitwaaieren doet België. Een parcours van herinnering óók. Het is deel van de charme van het concept. Wie meer houvast wil kan beter een canon nemen. Tollebeek c.s. hebben wel geprobeerd de hoofdstukken thematisch te ordenen. ‘Plaatsen van geschiedenis’ is één van de thema’s. En één van die plaatsen is het standbeeld van Ambiorix in Tongeren. Als nieuw land had België in de 19de eeuw ook nieuwe helden nodig. Ambiorix, die het leger van Julius Caesar in 54 v. Chr. in een nederlaag lokte, was een van hen.

Vrijheidsstrijd is een onderwerp dat op veel plaatsen terugkeert. België bestaat immers nog maar een kleine twee eeuwen . Na de constructie van het koninkrijk in 1830 werd benadrukt dat de Belgen altijd al hadden gevochten tegen vreemde overheersing – van Romeinen, Spanjaarden, Oostenrijkers, Fransen of Hollanders. En dat daar nu eindelijk een einde aan was gekomen.

Dat verleden kan ook makkelijk worden ingezet voor nieuwe doelen. Door Vlaamse nationalisten bijvoorbeeld die hun werk zien als voortzetting van die eeuwenlange vrijheidsstrijd en die de Franstaligen beschouwen als de zoveelste overheersers die moeten worden verslagen. Deze wetenschap maakt de boeken spannend voor lezers die geïnteresseerd zijn in België en al beschikken over enige basiskennis. Voor diegenen die nog niet veel weten van de geschiedenis van het land – Nederlanders – zijn ze een aangename introductie.

Sommige bijdragen zijn iets te veel beschrijving van de geschiedenis van een plek, en iets te weinig essay. Het interessantst zijn de verhalen waarin niet de historische feiten de hoofdrol spelen, maar de herinnering daaraan. Waarin feiten en mythen worden ontrafeld. Zoals in het verhaal van Jo Tollebeek over de Leuvense universiteitsbibliotheek. De anekdote over de boeken met even en oneven nummers is op waarheid gebaseerd, maar klopt niet helemaal, vertelt hij. Het is een van de urban legends waarmee tegenstanders van de splitsing van de universiteit nog jaren lang illustreerden hoe dwaas die was. In hun ogen werd de bibliotheek opnieuw vernietigd, nadat de Duitse bezetters dat al in de Eerste Wereldoorlog hadden gedaan. Het is waar, schrijft Tollebeek, dat er in 1968 werd verdeeld volgens het principe even-oneven. Maar encyclopedieën en jaargangen van tijdschriften werden wel bij elkaar gehouden.

Ook de frieten ontbreken niet. Geert Van Istendael schreef een meeslepend verhaal over Jezus-Eik, een dorp bij Brussel. Het gaat niet alleen over dat dorp, maar ook over Hollanders in Brussel, bedevaarten en over eten. Het laatste kun je daar onder meer doen bij Huis/Maison Istas. Hoe lang heeft België nog? Ook Geert Van Istendael weet het niet. ‘Probeer een buitenlander nooit uit te leggen hoe België precies in elkaar zit’, schrijft hij. ‘Neem hem liever mee naar Istas. Biefstuk friet, mosselen, américain, tomaat garnaal, en natuurlijk het bijbehorende bier, samen zijn ze de zwijgende apologie van dit land. België laat zich beter proeven dan analyseren.’