Ik draag mijn geluk nu bij mij

Sophie van der Stap is schrijfster van de bestseller ‘Meisje met negen pruiken’.

Kanker veranderde haar hele leven, maar de ziekte leerde haar ook vrij te denken.

„Af en toe denk ik nog wel eens: wat is dit bijzonder”, zegt Sophie van der Stap (25). „Op momenten dat ik merk hoe mijn verhaal verder is gereisd, hoezeer andere mensen zich erdoor geïnspireerd voelen.” Het is prachtig herfstweer en zij draagt een grote zonnebril. „Kun je mijn ogen nog zien?”, vraagt ze. Ik zeg dat ik haar ogen nog kan zien. Even later stopt een jonge vrouw met bakfiets bij onze tafel op het terras: „Jij hebt toch dat geweldige boek geschreven? Dank je wel, ik ben diep onder de indruk.”

In het boek Meisje met negen pruiken (2006) beschreef Sophie van der Stap het jaar waarin ze dodelijk ziek was. Rhabdomyosarcoma heet de zeldzame en zeer agressieve vorm van kanker die ze op haar 21ste kreeg en waarvoor ze 54 weken lang chemotherapie onderging. De ziekte en het boek, waarvan er meer dan 100.000 exemplaren zijn verkocht, hebben haar leven totaal veranderd. Van student politicologie werd ze bestsellerauteur, en een ster in Duitsland en Italië. In de bijna drie jaar dat ze nu ‘schoon’ is schreef ze de roman Een blauwe vlinder zegt gedag (2008) en werd ze het gezicht van de stichting Orange Ribbon International, die wereldwijd aandacht vraagt voor kinderkanker. Binnenkort wordt Meisje met negen pruiken verfilmd, het contract met producent Andreas Bareiss is net getekend.

Waarom een Duitse producent?

„Zijn productie Nirgendwo in Afrika is een van de mooiste films die ik ooit heb gezien. Verder zei hij mijn verhaal zo authentiek mogelijk te willen houden, dus dat betekent grote zeggenschap voor mij als schrijver. Ik vind dat ontzettend leerzaam en spannend.”

Vooral in Duitsland word je enorm op een voetstuk gezet. Word je daar nooit nerveus van?

„Ik vind het wel eens ongemakkelijk, want het is mij allemaal ook maar overkomen. Het is vooral mooi om te zien hoe ik door me kwetsbaar te tonen heel direct contact heb gekregen met mensen. Door die ziekte heb ik me zo vrij van alles gevoeld, van al mijn ongemakken en onzekerheden. Al mijn toekomstplannen waren in een klap weg. Het enige wat ik had was een ziekenhuiskamer en die chemo. Uit die leegte is alles ontstaan: dat boek, die pruiken, het volledig naar mijn gevoel luisteren en niet bezig zijn met wat anderen misschien vinden of denken. Dat is het mooie gezicht van de dood, denk ik. Als je er goed uitkomt natuurlijk, want anders heb je er niets aan. Vandaag, op de fiets, vroeg ik me af of ik misschien onbewust heb geweten dat er iets zou gaan gebeuren, want in de tijd voor ik ziek werd heb ik heel snel geleefd en bijna de hele wereld gezien. Ik wilde toen al alles uit het leven halen wat erin zit. Dat heb ik van mijn ouders, denk ik.”

Toen je ziek werd was je moeder net herstellende van borstkanker. Haar haar was nog niet eens aangegroeid.

„Ja, zij had één pruik, die ze niet altijd droeg. Ik had er negen, met ieder een eigen naam en karakter. Zonder pruik ging ik niet naar buiten. Iedereen zegt altijd dat je je geluk niet van uiterlijkheden af mag laten hangen, maar dat vind ik dus onzin. Ik ben doelbewust uit ijdelheid naar die pruiken op zoek gegaan. Zo voelde ik me vrouw en dus weer mezelf.”

Ben je nog op zoek naar het meisje áchter de negen pruiken, zoals je beschreef in je tweede boek?

„Nee, nu heb ik rust. Toen Meisje met negen pruiken af was had ik ineens niets meer. Alleen een paar grote vraagtekens. Ga ik weer studeren? Wat wil ik? Wie ben ik? Ik moest terug van overleven naar leven, met nieuwe prioriteiten en een nieuw besef van tijd. En ik had haast. Elk moment benutten was niet meer genoeg, ik wilde twee minuten in één proppen.”

Wat vermoeiend.

„Dat was doodvermoeiend! Na een jaar reizen – ik had de hele opbrengst van mijn eerste boek erdoorheen gejaagd – heb ik de knop om kunnen draaien. Ik was in Spanje en daar raakte ik op een avond in gesprek met een Libanese vrouw. Zo’n doorleefde vrouw die recht door me heen leek te kijken. En ik vroeg er niet om. Ineens pakte ze mijn hand, en mijn andere hand, en zei: „Je hebt nog een heel lang leven voor je, maar ook nog veel problemen.” O nou, zie je wel! dacht ik toen. En laat die angst nu maar varen.”

Die problemen neem je op de koop toe.

„Ha! Ja hoor, die neem ik erbij.”

Heeft optimisme je geholpen bij het herstel?

„Ik denk dat positief denken van grote invloed is op je gezondheid. Maar ik wil ook niet mijn kop in het zand te steken. Dat heb ik gezien bij een heel goede vriend die in januari aan kanker is overleden.”

Je bedoelt Jurriaan van Dam, met wie je Orange Ribbon oprichtte.

„Ja, Jur was klinisch onderzoeker op de oncologieafdeling van het Leids Universitair Medisch Centrum en werkte aan een computerspel voor kinderen, waarmee ze door middel van visualisaties leerden de kanker te lijf te gaan. Net als ik geloofde hij sterk in de menselijke geestkracht. En net als ik had hij op zijn 21ste kanker gekregen, maar acht jaar later was de tumor bij hem teruggekomen. Dat kan mij ook gebeuren.”

Voel je je daardoor onzeker?

„Er zijn wel momenten dat ik me onzeker voel, maar dan is er ook meteen een stem die zegt: ‘Ach Sophie, toen je ziek was, was je ook gelukkig. Je slaat je er nog wel een keer doorheen.’ En dat is misschien wel het mooiste wat me gegeven is. Ik weet nu dat ik in elke situatie geluk kan vinden, dat je je geluk gewoon bij je draagt. Natuurlijk, toen ik ziek was heb ik me vreselijk eenzaam gevoeld. Vooral ’s nachts. ‘Goh, hier lig ik’, dacht ik dan. ‘Ik ga misschien wel dood.’ Maar ik ben ook zielsgelukkig dat dit op mijn pad is gekomen. Door die ziekte en door dat boek, dat schrijven, dat zo hier (ze legt haar hand op haar hart) vandaan komt. Je tijd goed benutten betekent nu voor mij: je goed voelen waar je bent. In het snelle leven zit het niet.”

Afgelopen jaar zei je in een televisie-interview: ik durf te geloven dat de dood geen einde van het leven is.

„Goh, wat een gewichtige uitspraak. Dat was geloof ik kort na de dood van Jur. Ik bedoelde dat ik de liefde pas echt heb begrepen, of enorm tastbaar gevoeld, toen de dood heel dicht bij me stond. Dus moet tussen de dood en de liefde een relatie bestaan: hoe dichter je bij de dood komt, hoe meer liefde er is. Als je dood bent, vindt er een explosie van liefde plaats, denk ik.

„Dat is een soort wiskundige formule van mij. Maar ik was nooit goed in wiskunde, hoor. En omdat ik me door mijn liefde nog zo sterk met Jur verbonden voel, denk ik dat de liefde sterker is dan de dood. We waren hartsvrienden, nog steeds gaat hij iedere dag door me heen. Ik wil graag geloven dat die verbondenheid voortkomt uit de interactie tussen de levende en de overledene, maar misschien is het al genoeg als de gedachten alleen in het hoofd van de levende bestaan.”

Helpt dat om de pijn te verzachten?

„Nou, de bittere pil is natuurlijk dat je in het dagelijks leven wel van elkaar gescheiden bent. Daarom vind ik het geen angstige gedachte dat ik op een dag doodga. En tegelijkertijd is er een groot vertrouwen dat dat nog wel even zal duren.”