Honden fokken en menselijke eigenaardigheden

David Wroblewski: The Story of Edgar Sawtelle. Fourth Estate, 566 blz. € 20,95

Hoe knap is het niet om een blindengeleidehond op te leiden? En hoe oneindig veel knapper is het dan om als je zelf stom geboren bent een hond tot in de finesses te trainen? Om zo’n beest het commando ‘Geef luid!’ (voor niet-hondenmensen: ‘Blaf!’) te geven als je het nota bene zelf zonder stem moet doen?

De Amerikaanse schrijver David Wroblewski (1959) debuteert met een dikke roman, The Story of Edgar Sawtelle, over een stom geboren jongetje dat opgroeit op een afgelegen hondenfokkerij in Wisconsin. Zijn familie fokt zogenoemde Sawtelle Dogs, een niet bestaand ras van tamelijk grote honden die opgeleid worden tot volmaakte metgezellen van mensen, en daartoe pas na anderhalf jaar van training te koop zijn. Dus niet al na een week of negen, zoals gebruikelijk. Ze worden gefokt en getraind met als uiteindelijk doel het scheppen van een nog volmaakter gezelschapsdier, ‘the next dog’.

Voor wie veel van honden houdt is dat interessante kost, omdat de familie Sawtelle veel verder gaat dan de bekende gewenningsuitjes naar tramhalte, kinderspeelplaats en winkelstraat, maar maandenlang energie steekt in gehoorzaamheidsoefeningen, crazywalking om een dier honderd procent op de baas gefixeerd te krijgen, en zelfs in heel bijzondere shared-gazedrills – oefeningen waarbij de hond geleerd wordt te kijken in de richting die de baas wil.

Wie niet om honden en hun lerend vermogen geeft, zal het misschien af en toe wat veel van het goede vinden, maar in feite is het honden fokken, hoe ervaren en betrokken ook beschreven, niet meer dan een achtergrond, een woelig decorstuk van deze opmerkelijke roman, die in de VS al vijf maanden in de toptien staat. Alles gaat in wezen om de relatie van Edgar, het jongetje, met zijn moeder, zijn vader die een ongelukkige en ontijdige dood sterft, en diens broer die de plaats van de vader inneemt – met alle gevolgen van dien voor de verhoudingen binnen de ‘roedel’ die een gezin natuurlijk óók is.

Honden kunnen doden uit jaloezie. Edgar zegt in de door hemzelf ontwikkelde gebarentaal dat hij moordlustig is, maar zijn vaders plaatsvervanger kan het gebaar niet ‘lezen’. Edgars liefste hond, een teef die met het gezin in huis mag leven, mist na de dood van de vader zijn baasje heel erg, wat Wroblewski werkelijk práchtig kan beschrijven, ‘but she without the language to ask’.

Dat Edgar stom werd geboren is, behalve een extra spannend element, ook een metafoor voor het feit dat de mens zo hopeloos beperkt is in het delen van zijn gedachten en gevoelens. De gezinsleden houden innig van elkaar maar de finesses gaan verloren in de dagelijkse drukke routine van zorgen en werken. Pas als de ander er niet meer is, dringt de volle omvang van de dan verloren liefde goed tot de mensen door en wie weet, ook dan pas tot de honden.

Er wordt intens gemist en gerouwd in deze roman, wat veel meer indruk maakt dan al het getrain met de honden. Er is ook een whodunnit- (en howdidhe-) element, waardoor je puur uit spanning de bladzijden sneller omslaat. Toch zal de aanprijzing van Stephen King op het omslag menig potentiële lezer op het verkeerde been zetten – het verhaal van Edgar Sawtelle is voor een doorsnee thrillerliefhebber namelijk veel te omstandig beschreven, te mooi ook, en met een soort anticlimax op het einde. Maar wie in een roman graag leest over menselijke eigenaardigheden als onuitgesproken gevoelens, om jaloezie, oude grieven, wraaklust en schuld, die heeft aan deze 566 bladzijden een heerlijke kluif.