Het einde van het Niets in zicht

Fotoboeken over het naoorlogse Duitsland lieten vooral puinhopen zien. De recente uitgave ‘Wirtschaftswunder’ toont het mirakel van de economische vlucht.

Josef Heinrich Darchinger: Wirtschaftswunder. Deutschland nach dem Krieg, 1952-1967. Taschen, 288 blz. € 40,–

Frits Boterman: Duitse dichters en denkers. De Arbeiderspers, 366 blz. € 24,95

In 1954 verscheen bij Kiepenheuer in Berlijn een tweedelig fotoboek over de omstandigheden waaronder Duitsland de eerste acht jaren na de ondergang was doorgekomen. Titel: Aufstieg aus dem Nichts, Deutschland von 1945 bis 1953. De tekst op de eerste bladzijde van het eerste deel begon als volgt: ‘Mei 1945. Voor het eerst in de geschiedenis van Europa is een staat volledig opgehouden te bestaan. Het Duitse Rijk is verdwenen. We hebben geen regering, geen bestuurlijk apparaat, geen gezagsdragers meer. Maar de overlevenden vragen zich af: hoe moet het nu verder? Is er nog een begin?’

Onder op de pagina stond de eerste foto, zwart-wit. Een oude man in een versleten winterjas zit voorovergebogen op de rest van een muurtje. Dat hij de handen voor z’n ogen houdt, alsof hij huilt, maakt het beeld des te pathetischer. Hij zit daar alleen, omringd door louter puin. ‘In het Uur Nul, op 8 mei 1945’, schreef samensteller Kurt Zentner in zijn voorwoord, ‘heerste overal het Niets’. Dat zag je.

Acht jaar later liep je in het centrum van alle grote Duitse steden nog door straten waar grote happen uitgeslagen waren. Veel huizen waren niet eens tot de grond toe netjes afgebroken: de Trümmerzeit was nog niet voorbij. De half verruïneerde woonlagen moeten ideale speelplekken zijn geweest voor kinderen van tien – inmiddels aan hun pensioen toe. In 1954 schreef Heinrich Böll de roman Haus ohne Hüter waarin je veel jongens en meisjes van die generatie tegenkomt.

De eerste naoorlogse en op oorlogspapier (in Nederland!) gedrukte boeken ademden haast verlegenheid, en schaamte. ‘Ze’ hadden het er zelf naar gemaakt, dus hadden hun oude foto’s geen kans op de nostalgische knusheid die er meestal aan kleeft. Pas in deel II – niet meer álles kapot wat je ziet – breekt behalve zelfvertrouwen ook zelfverzekerdheid door: de Aufstieg is in volle gang, het einde van het Niets is in zicht, en ze hebben het letterlijk met hun eigen handen voor mekaar gekregen.

Zeker de Berlijners werden nog extra geruggesteund door nieuwe politieke omstandigheden. Bastion im roten Meer, mochten ze zichzelf noemen, zeker na het jaar van ‘de luchtbrug tegen Stalin’. Misschien waren ze fout geweest in de ene oorlog, maar des te dapperder toonden ze zich in de volgende. Hun verdiende loon was de komst van president Kennedy, die met achter zich de Muur, ‘Ich bin ein Berliner’ riep – maar toen was het al 1963, en het puin bijna helemaal geruimd.

Er zit iets paradoxaals in het Duitse zelfbeeld en in het imago dat Duitsers in de rest van Europa hadden, en ten dele nog steeds hebben. Ik pakte de Aufstieg nog eens uit de kast nadat ik Duitse dichters en denkers van de Amsterdamse hoogleraar moderne Duitse geschiedenis Frits Boterman had gelezen. De in dat boek verzamelde opstellen en recensies (de meeste uitwerkingen van eerder gepubliceerde artikelen) volgen zonder uitzondering het thema waarmee de auteur al jaren bezig is: ‘het belang van cultuur in de moderne Duitse geschiedenis’, zoals ook z’n ondertitel luidt. Hij bedoelt dan geloof ik niet dat de Duitse geschiedenis bij een beetje meer cultuur gebaat zou zijn – aan Kultur immers nooit gebrek –, hij bedoelt dat je de Duitse ontwikkelingen sinds de 19de eeuw onvoldoende kunt verklaren uit alleen maar economische of maatschappijgeschiedenis, en dat de cultuurgeschiedenis er onontbeerlijk bij is.

In zijn inleiding noemt hij Duitse cultuurdragers die hem aan het hart liggen – Nietzsche, Spengler, Max Weber, Stefan George, Ernst Jünger, Kurt Tucholsky – en hij vervolgt: ‘Duitsland was als het ware bezaaid met profeten, wensdenkers, cultuurpessimisten en randintellectuelen die bezorgd waren over de degeneratie van de cultuur, en bezeten waren van de regeneratiegedachte.’ En die, ben je geneigd daar achteraan te denken, ‘in de jaren twintig van de vorige eeuw, op z’n zachtst gezegd vatbaar waren voor propaganda tegen de undeutsche Geist die in 1933 tot een boekverbranding leidde.

Boterman is duidelijk beducht voor de naoorlogse ‘Betroffenheitskultur van schuld en schaamte’, die Duitsland lang in haar greep heeft gehad. ‘Na 1990’, stelt hij haast opgelucht vast, ‘is er minder nadruk komen te liggen op de uniciteit van de Duitse geschiedenis, het naziverleden wordt meer ‘gehistoriseerd’ en wordt eerder beschouwd als een onderdeel van de Europese geschiedenis’.

Boterman verwerpt finalistische geschiedschrijving over Duitsland – ‘niet alles in de Duitse geschiedenis’, schrijft hij, ‘leidde naar Hitler’.

Maar tegelijkertijd – en dat is de paradox – zijn al zijn essays bewust of onbewust gerelateerd aan Hitler, aan de nazi’s, aan de Holocaust, aan 1933, ook als hij schrijft over Nietzsche en Weber, wie het reële nationaal-socialisme bespaard is gebleven. Ook bij hem blijft Duitsland nog altijd geproblematiseerd.

Twee dingen zijn een beetje jammer aan de bundel. Om te beginnen is het rare dat Boterman nergens toelicht wat we, als het aan hem lag, eigenlijk onder cultuur zouden moeten verstaan, en dat hij ook geen aandacht heeft willen besteden aan de talrijke manieren waarop dat cultuurbegrip kan veranderen. ‘De toenemende ontideologisering en de secularisatie’, schrijft hij over het einde van de Berlijnse muur, ‘hebben na de hereniging geleid tot een ‘privatisering’ van de moraal en een politiek pragmatisme waaraan elke vorm van idealisme dreigt te ontbreken’. Maar wat is er na 9 november 1989 precies gebeurd met een nieuwe cultuur en haar invloed op een nieuwe Duitse geschiedenis?

En aansluitend daaraan is er een tweede lichte teleurstelling: over de afwezigheid van eigentijdse vertegenwoordigers van Duitse cultuur en wetenschap. In het heden gaat Botermans voorkeur duidelijk uit naar enigszins conservatieve, of zeg ‘irrationele’ denkers als Martin Walser, Hans-Jürgen Syberberg en de steeds weer overschatte Ernst Jünger. Filosofen als Habermas en Sloterdijk passeren alleen zijdelings, net als Günter Grass (over het altijd opnieuw ‘geproblematiseerde’ Duitsland gesproken!) die terloops ter sprake komt als lid van de Gruppe 47, en Rainer Werner Fassbinder wordt helemaal niet genoemd. En als er nou iemand was die ‘de wond genaamd Duitsland’ probeerde open te houden, dan was het wel de maker van de film Berlin Alexanderplatz.

Van de Aufstieg aus dem Nichts kun je zeggen dat die in 1953 wel ongeveer was volbracht. Het zou nog maar een paar jaar duren of de Bondsrepubliek Duitsland kreeg het in het westelijk deel van het oude Rijk – in de opgeheven Amerikaanse, Britse en Franse ‘bezettingszones’ – weer zelf voor het zeggen, en nog een jaar later zou de inpassing in een nieuw Europa en een nieuwe Noord Atlantische Verdragsorganisatie bevestigd worden.

Alle lessen van de gemankeerde Weimarrepubliek waren misschien nog niet verwerkt, maar wel geleerd. Er was eindelijk weer een regering, een bestuurlijk apparaat en één democratisch gekozen gezagsdrager – die bovendien Konrad Adenauer heette. Tijd voor een vervolg, moet de ‘stunt’- uitgever Benedikt Taschen hebben gedacht, en vanuit al z’n hoofdkwartieren (Hongkong, Keulen, Londen, Los Angeles, Madrid, Parijs, Tokio) lanceerde hij het voor salontafels bestemde, gewichtige fotoboek Wirtschaftswunder. Deutschland nach dem Krieg, 1952-1967, met opnamen van Josef Heinrich Darchinger. Met tekst in drie talen.

In vergelijking met mijn oude oorlogspapieren album – over al dat puin, al die in lompen gehulde, door vier geallieerde overwinnaars bezette, hongerige, beschaamde en vooral schuldige Duitsers – heeft het nieuwe boek over een Duits verleden iets poenigs. Je voelt de onherroepelijke afstand tussen de twee polen waarover Boterman in zijn opstellen dikwijls uitweidt: Geist aan de ene, Macht aan de andere kant. Maar is het mirakel van de economische vlucht die Duitsland van punt nul af in iets meer dan een decennium wist te nemen – heeft dat machtige mirakel toch niet ook met geest en met cultuur te maken?

Familieleven, economie en politiek zijn de drie thema’s waarlangs de samensteller keuzes heeft gemaakte uit de rijke archieven van fotograaf Josef Heinrich Darchinger. We zien de ontwrichte Duitse gezinnen langzaam maar zeker weer een ‘normaal’ leven proberen, we zien het ondernemerswonder uit de grond komen, en het land dat zo lang van ‘Mitteleuropa’ was, radicaal naar het westen schuiven.

De foto’s zijn kundig, maar zelden zo mooi (dat wil zeggen: zo aangrijpend in hun treurigheid) als de foto’s uit de Aufstieg-jaren. De teksten – in het oude boek, grotendeels ontleend aan authentieke documenten –, hebben in het nieuwe meer duiding, zijn ‘partijdiger’, zwemen soms naar opschepperij over een bijna kapot gebombardeerd, dus geslachtofferd volk dat weigerde onder te gaan, overeind krabbelde, en de wereld verbaasd liet staan over zijn ongebroken wil. Niet meteen Wille zur Macht natuurlijk. Er is geen reden om zelfs van een wonder nog een Duits probleem te maken.