'Het bliksemt in Lucretius' taal'

Het natuurfilosofisch leerdicht ‘De rerum natura’ van Lucretius is vertaald door emeritus hoogleraar Latijn Piet Schrijvers. ‘Je ziet er tal van actuele ethische en natuurkundige kwesties in terug.’

In den beginne waren er deeltjes. Dat is, kortweg en in anachronistische termen, de kern van De rerum natura van Lucretius (99-55 vC.). Dit natuurfilosofisch leerdicht verscheen in de eerste eeuw voor Christus en heeft altijd controverse opgeroepen omdat het de bemoeienis van goden met mensen ontkent en de plaats van de mens in de kosmos relativeert.

In ‘De natuur van de dingen’, verdedigt Lucretius de leer van de Griekse filosoof Epicurus (341-270 vC). Van het epicurisme is vaak alleen de hedonistische kant bekend: het najagen van genot als hoogste goed. Maar wie Lucretius leest, begrijpt dat bij Epicurus genot verband houdt met onthechting en zelfbeperking: vrij van angsten en begeertes is de mens het gelukkigst. Het mooie is, dat de materiële, vaak als somber opgevatte levensopvatting van Epicurus bij Lucretius is ingebed in een lyrisch werk dat een vreugdevolle weerspiegeling van de tastbare wereld lijkt te willen zijn: biologie, staatsinrichting, anatomie, geologie, meteorologie.

„Ik kan zo tien ethische kwesties en natuurkundige vraagstukken noemen waarover Lucretius eindeloos stof tot nadenken geeft.” Piet Schrijvers zegt het monter en strijdbaar in zijn Leidse huiskamer. „De filosofie van het geluk, de oorsprong van het leven, de hele creationisme-discussie. Dat heb je niet bij Caesar of Ovidius.”

Schrijvers’ nieuwe, glanzende vertaling van de 7.400 verzen van De rerum natura, met inleiding en een uitvoerige beschrijving van Lucretius’ ‘Nachleben’ in Nederland, ligt voor hem op de salontafel. ‘Tolk en Schildknaap van Epicurus’, zo karakteriseert Schrijvers Lucretius. Hemzelf zou je de tolk van Lucretius in Nederland kunnen noemen, al boekte hij eerder succes met in helder, toegankelijk Nederlands gestelde vertalingen van Horatius en Vergilius. Hij promoveerde op Lucretius in 1970, schreef veelvuldig over hem, ontmoette zijn vrouw doordat zij bij hem op Lucretius kwam promoveren. Al met al is Schrijvers al zo’n 45 jaar met Lucretius bezig, schat hij. Als diens grootste verdienste noemt hij zijn vermogen kunst en wetenschap te integreren.

Schrijvers: „Volgend jaar is het vijftig jaar geleden dat wetenschapper en schrijver C.P. Snow de scheiding tussen de werelden van kunst en wetenschap aan de kaak stelde in zijn beroemde rede Two Cultures. Universiteiten proberen met allerlei projecten die kloof weer wat te dichten, maar hoezeer een werkelijke synthese mogelijk is, dat zie je bij Lucretius. Verschillende keren verwijst hij naar de woorden van zijn gedicht, samengeklonken letters immers, zoals samengeklonken deeltjes zichtbare verschijnselen vormen. De wereld moest zijn tekst wórden, daarvan ben ik overtuigd. Bij de natuurverschijnselen dondert en bliksemt het in zijn taal.”

Daarnaast is De rerum natura een polemisch werk, vertelt Schrijvers in zijn inleiding. De epicuristen zetten zich met hun afwijzing van de onsterfelijkheid van de ziel en de goddelijke voorzienigheid af tegen de dominante filosofie uit de eerste eeuw voor Christus, de Stoa.

Schrijvers: „Lucretius zet de bijl aan het staatsbestel van het Romeinse rijk, dat gebaseerd was op een staatsgodsdienst. Er waren haruspices [‘leverkijkers’, die de toekomst voorspelden door de ingewanden van offerdieren te inspecteren, MS] en wichelaars, maar wel zo dat de senaat bepaalde welke voorspellingen relevant waren. Lucretius werd in kleine kring zeker gelezen, maar er is maar één openlijke verwijzing van een tijdgenoot naar hem te vinden, bij Cicero in een brief. Het is alsof hij werd doodgezwegen.”

Ondanks Lucretius’ beschrijvende vermogens en soms verbluffende kennis kan deze tekst voor een hedendaagse lezer ook heel vervreemdend zijn. Het bestrijden van gevoelens bijvoorbeeld; angst voor de dood is voor een deeltjesklomp als de mens ongegrond, men kan die dus gevoegelijk laten varen. Schrijvers: „Verstandelijke beheersing was erg belangrijk in de oudheid. Daarmee onderscheidde de mens zich van het dier, daarin school de beheersing over alles. We leven nu, zoals het heet in een emotiecultuur, het tegenovergestelde bijna, maar lijken daar alweer van terug te komen, In de hedendaagse filosofie van het geluk speelt beheersing een grote rol.”

Dat het epicurisme het als levensopvatting ondertussen niet gered heeft, verwondert Schrijvers niet: „Het epicurisme neemt de hoop weg op een beter leven na de dood. Het biedt geen troost. En troost is belangrijk voor wie houvast zoekt.”

Lucretius en het epicurisme zijn door de eeuwen heen zowel bewonderd als verketterd. Schrijvers in zijn inleiding: ‘In de tiende zang van zijn Hel plaatst Dante de epicuristen bij de gestrafte ketters, en de kerk heeft hen daar altijd laten zitten.’ Hij noemt het ‘een godswonder’ dat Lucretius ‘door de middeleeuwen is gekomen’.

Twee handschriften zijn er slechts, die toevallig allebei worden bewaard in Leiden. Calvijn noemde de school van Epicurus een zwijnenstal (met dank aan Horatius, die zichzelf ‘een zwijntje uit de school van Epicurus’ noemde) en Joost van den Vondel dichtte een Anti-Lucretius: Bespiegelingen van God en Godsdienst (1662), gericht ‘tegen d’ongodisten’. Schrijvers, zijn held verdedigend: „Grappig dat Vondel wel passages uit Lucretius in zijn verzen heeft vervlochten, alvorens erbij te dichten wat er allemaal niet aan deugde.”

De problemen van de kerk met Lucretius’ tekst kan Schrijvers treffend illustreren aan de hand van één vers, de beroemde regel tantum religio potuit suadere malorum, ofwel ‘zozeer kan godsdienst leiden tot misdadigheid’. „Religio, bijvoorbeeld, is in de 17de en 18de eeuw vertaald als ‘bijgeloof’ of ‘godendienst’, zodat het niet op het christendom kon slaan.”

Bij het vertalen laat Schrijvers zich leiden door twee codes, vertelt hij. „Een taalkundige code en een esthetische code. Als Lucretius ergens een alliteratie heeft staan, of een enjambement, dan heb ik het ook. Ik heb geprobeerd zo dicht mogelijk bij zijn stijl te blijven, zoals in de formulaire frasen op het eind van de zin. Soms wijkt daar dan de linguïstiek voor de esthetiek, zoals in het allitererende in Tartara taetra. Ik maak daar de ‘gehate Hades’ van, omdat daar iets van dat klankspel inzit. Terwijl je zou kunnen tegenwerpen dat het ‘de gruwelijke Hades’ moet zijn.”

Polemiek hoort bij De rerum natura, stelt Schrijvers. Het werk zelf is immers een felle verdediging van Epicurus, die door de eeuwen heen steeds weer nieuwe aanvallen en verdedigingen heeft uitgelokt. De vertaler lijkt met iets van die verontwaardiging besmet, als hij benadrukt hoe raar het is dat Lucretius al in geen 25 jaar meer centraal vastgesteld eindexamenonderwerp is geweest. „Hij zou te moeilijk zijn, maar aan het Latijn kan dat niet liggen. Het komt eerder doordat dit vak door alfa’s wordt beoefend; belangstelling voor natuurwetenschap is bij hen niet dik gezaaid. Of moet ik denken aan een religieuze samenzwering? Willen katholieke scholen Lucretius niet in hun curriculum?”

Alle gekheid daargelaten, voordat je het weet is het kwaad geschied en kent men Lucretius niet meer. Neem een wetenschapper als Ronald Plasterk. „Veel van zijn columns gingen indertijd over het creationisme-debat. Sommige passages kon je zo in Lucretius-Latijn terug vertalen. Toch heeft hij Lucretius geen enkele maal genoemd en lijkt hij hem niet te kennen.”

Schrijvers kent De rerum natura zo ongeveer uit zijn hoofd. Is het niet vreemd dat hij van de auteur niets weet? Over Lucretius’ leven is nauwelijks iets bekend. Wat voor man stelt hij zich voor?

„Een groot kunstenaar verdwijnt achter zijn kunst, heeft Cees Nooteboom gezegd. Het werk is zo erudiet, Lucretius moet erdoor geobsedeerd zijn geweest. Hij is didactisch erg begaafd. Ik zie hem graag als een personage uit Le salaire de la peur, een film uit 1953. Yves Montand speelt daarin de chauffeur van een vrachtwagen vol met het explosieve nitroglycerine. Hij zweet peentjes, maar hij blijft sturen.”

Lucretius: De Natuur van de Dingen. Uitgegeven, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Piet Schrijvers.Historische Uitgeverij, 612 blz. € 49,95

Rectificatie / Gerectificeerd

Piet Schrijvers

In het gesprek met Piet Schrijvers (Boeken 22 november) is zijn vertaling van Lucretius’ vers tantum religio potuit suadere malorum fout weergegeven. Het is niet ‘zozeer kan godsdienst leiden tot misdadigheid, maar ‘zozeer kon godsdienst leiden tot misdadigheid.’