Gebroken scharen in de gracht

Het verhaal ‘Het Byzantijnse kruis’ alleen al rechtvaardigt de aanschaf van ‘Gentse lente’ van A. F. Th. van der Heijden. Maar wat ligt er nog in zijn werkkamer?

A.F.Th. van der Heijden: Gentse lente. Verhalen.Querido, 312 blz. € 22,95

Je zou er wat voor geven om te mogen grasduinen in de kasten, de ordners en de mappen die A.F.Th. van der Heijden in zijn werkkamer heeft verzameld – om nog maar maar te zwijgen van het papier dat op zijn vier bureaus ligt. Want wat Van der Heijden publiceert, is maar een fractie van wat hij aan moois heeft geschreven in de dertig jaar die zijn verstreken sinds zijn debuut Een gondel in de Herengracht.

Die verjaardag, afgelopen dinsdag, wordt gevierd met de publicatie van Gentse lentes, Van der Heijdens eerste verhalenbundel sinds dat debuut. De bundel is echter niet de grote greep uit de schatkamer waar je op zou hopen. Een fors deel van het materiaal behoort tot de ‘bovenlaag’ van het oeuvre, werk dat de meeste liefhebbers al in de kast hebben staan. Dat geldt voor ‘Weerborstels’, het Boekenweekgeschenk 1992, ‘Uitdorsten’ (verschenen in De Requiems uit 2003 en vorig jaar apart), ‘Professie bergredenaar’ en ‘Dichters slaags’ (beide in Engelenplaque uit 2003) en ‘De gebroken pagaai’ dat in 1995 met Een gondel in de Herengracht verscheen in de debutenreeks van uitgeverij Conserve. Samen is dat meer dan de helft van Gentse lente.

Waarmee niet gezegd is dat die verhalen onder de maat zijn: ‘Weerborstels’ is verre van versleten en ‘Uitdorsten’ is een prachtig requiem, gedragen door een grote woede jegens iedereen die de moeder van de schrijver ooit iets heeft aangedaan. Immers, er bestaat geen verdriet zonder agressie. Die agressie wordt in het verhaal prachtig verbeeld wanneer de verteller een verpleger aantreft in het halfduister van zijn moeders kamer. ‘Kijk ’m daar nu staan, de imbeciel... het lijkt echt of ik de een of andere tijdelijke invaller betrapt heb... een pseudoverpleger met necrofiele neigingen...’ De woede wordt niet gekoeld, maar blijft de rest van het verhaal voelbaar.

Bovendien schakelt Van der Heijden in het ‘Uitdorsten’ soepel naar de ontstaansgeschiedenis van zijn eigen werk. In de trein naar huis maakt hij aantekeningen op een krant over dood en leven: ‘Het komt erop aan jezelf zó goed te leren kennen, zó goed te leren analyseren dat je voor jezelf steeds meer geobjectiveerd raakt... en zo voor jezelf langzaam – volhardend – een Ander wordt.’ Het is met een beetje goede wil de kerngedachte van Homo duplex, de romancyclus waarvan Van der Heijden in 2003 het eerste deel zou publiceren.

Ook in het titelverhaal voert Van der Heijden je weg van de eigenlijke vertelling om het een en ander uit de doeken te doen over het ontstaan van Homo duplex; ditmaal op het gebied van hooligans en de dood van de jonge journalist Joris Abeling in 1998. Dit wordt verweven met het verslag van een dramatisch verlopen reisje naar een literaire bijeenkomst in Gent, die erop uitloopt dat Van der Heijden zich midden in de nacht – nagenoeg naakt en ook al niet nuchter – buiten zijn hotelkamer sluit.

Het grote verschil met ‘Uitdorsten’ is echter dat het verhaal ‘Gentse lente’ zelf niet zo goed is. Het heeft een zwakte die in het mindere werk van Van der Heijden vaker voorkomt. Die is misschien het best uit te leggen aan de hand van de volgende zin, in een passage over enig gesteggel over gage en hotel. ‘Om de mestsmaak van deze vijandige koehandel uit mijn mond te spoelen dronk ik in het festivalcafé kort na elkaar een drietal dubbele wodka’s.’ Het is een donderende, op een bepaalde manier ook wel grootse zin, die hier echter averechts werkt. Want de woorden zijn zo groot bij een zo kleine aanleiding, dat ze daar niet het universele van benadrukken – wat in de kunst toch de bedoeling is – maar juist het particuliere. Onwillekeurig vraag je je af: waar windt die ik-figuur zich nu eigenlijk over op? Waar windt de schrijver zich nu eigenlijk over op? En dan slaat ook de verveling toe.

Een vergelijkbaar effect treedt op bij andere mindere verhalen in de bundel (‘Krakelingen met kaneel’, ‘De magneetvrouw’), het omgekeerde geldt voor verhalen als ‘Schwantje’s Fijne Vleeschwaren’ en ‘Adagio’ waarin de zinnen van Van der Heijden de vertelling naar een hoger plan stuwen. En dan vooral voor ‘Het Byzantijnse kruis’ dat 28 jaar geleden in Avenue verscheen. In die prachtige, lichte vertelling laat Van der Heijden een autokraker aan het woord over in eerste instantie vooral de technische aspecten van zijn werk: het soort schaar dat hij gebruikt voor de sloten, hoe hij deze verft om via het terugkerende fenomeen van de brekende scharen te eindigen bij de angst dat hij opgespoord zal worden aan de hand van de afgebroken stukjes (‘Er zijn dus schaarfragmenten in hun bezit’) en een lyrische droom over verloren scharen op de bodem van de gracht, verbonden met de herinnering aan een tante die ter plaatse van de brug stapte. Dat alles door een auteur die nog geen dertig is.

Je kunt redeneren dat dit verhaal alleen al de moeite van deze verhalenbundel waard is. Maar zo werkt het toch niet: door de wetenschap dat er in huize Van der Heijden nog zoveel moois verborgen ligt, ben je in de eerste plaats verstoord over het feit dat we het moeten doen met een bundel vol werk dat deels bekend is en waarvan een deel óók nog tot het mindere werk van Van der Heijden behoort.