Even geen tijd voor de koningin

‘The Lady with the Lamp’ verpleegde op de Krim vele gewonde soldaten, en vocht zelf vooral voor een betere gezondheidszorg. Niemand kreeg Florence Nightingale klein.

Mark Bostridge: Florence Nightingale. The Woman and Her Legend. Viking Penguin, 647 blz. € 29,–

‘Oh, the absurdity of the people and the vulgarity!’ Zo reageerde Florence Nightingale op het verzoek om haar beeltenis af te staan, plus enkele ‘relics’ uit de Krimoorlog. Ter gelegenheid van het diamanten jubileum van koningin Victoria werd in 1897 in Londen een grote tentoonstelling over de afgelopen eeuw voorbereid. Engelands heldin uit de Krimoorlog, ‘the Lady with the Lamp’, ’s werelds beroemdste verpleegster, kreeg op de afdeling geschoolde verpleging de centrale plaats toebedeeld. Briesend uitte ze haar ongenoegen in brieven aan intimi: ‘I won’t be made a sign at an Exhibition.’ Een uithangbord, het idee! Je zou denken dat Florence Nightingale toen, na ruim veertig jaar, wel gewend was geraakt aan haar legendarische status. Integendeel. Haar leven lang schuwde ze publiciteit.

In de slotfase van de nieuwe, mooi verzorgde biografie Florence Nightingale. The Woman and Her Legend blijft ze trouw aan zichzelf. Deze broze bejaarde, die haar brieven moest dicteren aan typistes omdat haar gehoor, gezichtsvermogen, motoriek en ook haar geheugen achteruit gingen, had nog niets verloren van haar strijdlust. Puntsgewijs betoogde ze wat dan wél de ‘relikwieën’ waren van de Krimoorlog. De ontzagwekkende lessen die men moest trekken uit kapitale vergissingen en stommiteiten die in die oorlog zijn begaan. Vervolgens de Royal Commission on the Health of the Army, die een enorme verbetering had gebracht in het soldatenleven. Dan de scholing van verpleegsters, zowel wat betreft instelling, bedrevenheid als kennis. En natuurlijk de hygiëne en sanitaire voorzieningen. Immers, door onachtzaamheid daarvoor hadden het militaire en medische gezag s de dood veroorzaakt van duizenden manschappen.

Onder een strikte voorwaarde heeft Florence Nightingale uiteindelijk toch toegestemd in het uitlenen van relikwieën voor de tentoonstelling. De bruiklenen, het ‘wretched Russian’ rijtuig waarmee ze destijds door het oorlogsgebied trok en de buste waar ze na terugkeer van de Krim alleen maar voor poseerde omdat het leger er uitdrukkelijk om had gevraagd, dienden niet in het historische, maar in het hedendaagse deel van de tentoonstelling te worden geplaatst: tussen het nieuwste verpleegstersinstrumentarium. Alsof ze wilde onderstrepen, schrijft Mark Bostridge, dat de betekenis van haar levenswerk niet in het verleden lag, maar in de voortgaande ontwikkeling van de gezondheidszorg.

Het is een van de weinige keren dat de biograaf voor haar spreekt. Aangeland op pagina 517 heeft hij daar alle recht toe. We kennen Nightingale dan inmiddels door en door en komen tot dezelfde conclusie: wat denken ze wel, een uithangbord op een tentoonstelling!

Florence Nightingale is een begrip. Bij haar strelende naam hoort een engelachtige verschijning die het koortsige voorhoofd van de gewonde soldaat verkoelt, zijn pijn verlicht en hem bijstaat in zijn stervensuur. In werkelijkheid bezat Nightingale een ijzeren wil en volgens haar nieuwste biograaf ‘one of the greatest analytical minds’ van haar tijdperk. Zo’n bewering moet je staven, tegen de keer van die engelachtige mythe in.

Leergierig

Bostridge duikt in de diepte van haar tijd en zet een fascinerend dubbelportret neer van de Vrouw en de Legende. Ze lopen parallel, maar stemmen zelden overeen. Die frictie typeert Florence, genoemd naar de stad waar ze in 1820 werd geboren als tweede dochter van welgestelde ouders. Ze was intelligent, leergierig en belezen. Ze studeerde, tot verdriet van haar moeder, liever mathematica dan piano en naaldkunst, sprak haar talen, maakte geweldige buitenlandse reizen, onder meer door Egypte, en ontwikkelde zich tot een diepgelovige en uiterst onafhankelijke geest.

Het werkloze leven van een vrouw uit haar kringen verafschuwde ze en dus baande ze zich een weg, tegen de Victoriaanse mores in, en tegen de wil van haar ouders. Verpleegster worden was not done. Het huwelijk een must, maar ondanks enkele aanzoeken bleef ze ongetrouwd.

Een van terugkerende motieven in deze meeslepende biografie is de houding van de mannen met wie ze te maken krijgt en die ze ringeloorde. Ze adoreren haar om haar visie, vuren haar aan en onderwijl ontzeggen ze hun echtgenotes een werkzaam leven. Toch was Florence geen feministe – ze was een gedreven pionierster die in praktijk bracht wat ze voor ogen had.

Bostridge is vooral haar gedachtegangen nagegaan. Hij had daartoe de krachtige stem tot zijn beschikking in haar publicaties, en vooral veertienduizend brieven. Een deel vond hij in een niet eerder openbaar gemaakt familiearchief. Ze was ‘a compulsive writer’ en gezien haar tomeloze werkdrift schreef ze waarschijnlijk net zo snel als ze dacht. Een goede brief schrijven beschouwde Florence Nightingale als een grote ‘verleiding’. Zelfs toen ze in mei 1855, geveld door de Krimkoorts, op het randje van de dood zweefde en hallucineerde, vroeg ze om pen en papier.

‘Wat staat ons nog meer te wachten?’, vroeg haar vader zich tezelfdertijd af in een brief aan zijn vrouw. Een uit de Krim teruggekeerde soldaat had hem staande gehouden met een éloge over de aanbeden Lady with the Lamp. ‘Gaat ze straks de doden tot leven wekken?’ Hij geneerde zich telkens wanneer hij de naam Nightingale in de krant zag staan.

Wonderbaarlijk is het om in onze multimediale tijd met snel opeenvolgende hypes te lezen hoe het in zijn werk ging. Een Nightingale-rage overspoelde Engeland tijdens de Krimoorlog, waarin Rusland vocht tegen Turkije, Engeland, Frankrijk en Sardinië. Op 24 februari 1855 publiceerde de Illustrated London News een gravure van haar in de ziekenbarak van Scutari aan de Bosporus. Een onophoudelijke stroom van prenten, verzen, verhalen, liedjes en (porseleinen) beeldjes volgde. Meisjes en schepen werden naar haar vernoemd. De Britse overheid beschouwde de enorme aandacht als welkome afleiding van de rampzalig verlopende interventie.

Vuilbestrijding

Hoewel er in het ziekenhuis dat ze bestierde nog meer soldaten stierven dan op het slagveld, en zij bikkelhard omging met haar naaste medewerksters was de legendevorming niet meer te stuiten. ‘All our women are Florence Nightingales,’ zou de New York Herald negen jaar later op het heetst van de Amerikaanse Burgeroorlog verklaren. Dankzij Nightingales rapport met officiële richtlijnen voor hygiëne, vuilbestrijding en ziekenhuisbouw en -inrichting, kon het leger van de Union melden dat er veel minder soldaten doodgingen aan ziektes dan voorheen in Europa.

De Krimkoorts maakte haar bedlegerig en vaak onuitstaanbaar humeurig. Wie meende dat het psychosomatisch was, vergiste zich. Al haar symptomen duiden op chronische brucellose, een zeer pijnlijke infectieziekte die toen uiteraard nog niet met antibiotica kon worden bestreden. In de veronderstelling dat haar dagen waren geteld, isoleerde ze zich. Hoog bezoek, onder wie de Nederlandse koningin Sophie, liet ze aan de deur staan. Het werk – rapporten, statistieken, de verpleegstersopleiding aan het St Thomas’ Hospital (nu het Florence Nightingale Museum) en ziekenhuisontwerpen in binnen- en buitenland – ging voor.

Vrouw noch legende bleef heilig. Praktisch had Nightingale gelijk over het gezondheidsrisico van vuil, maar lang ontkende ze de oorzaak: ziektekiemen. Ze werd oud genoeg om haar doctrine te herzien. Door haar veelal felle critici grondig te beschrijven, geeft Bostridge zijn portret nog meer gezag.

Florence Nightingale stierf, in haar slaap, in 1910. Ze was negentig. Haar overlijden was al enkele keren gemeld. Voor de vrouw die legendarisch werd, maakt dat niets uit. Voor haarzelf evenmin: ‘Ik heb mijn handen vol & ben niet aan het luieren’, schreef ze in 1895 aan een vriend, ‘al denkt men natuurlijk dat ik in slaap ben gevallen of reeds dood ben.’ Ze was bepaald niet zonder humor.

Bijna een eeuw na haar dood klinkt haar beroemdste uitspraak nog even spoedeisend: ‘Het lijkt een vreemde stelling te verkondigen dat het de allereerste vereiste van een Ziekenhuis is, de zieken geen kwaad te doen.’