'Eerst de feiten, dan de fictie'

‘Het perspectief van de beul is nog steeds een zwart gat, en daar ben ik ingesprongen’, zegt Jonathan Littell. Zijn monumentale roman over een fanatieke nazi is nu als ‘De Welwillenden’ vertaald.

De telefoon gaat drie keer over; in Barcelona wordt opgenomen met een kort ‘Oui’. Ik noem mijn naam, Jonathan Littell bevestigt de zijne, en enkele seconden later klinkt aan zijn kant van de lijn muziek. Een licht barokconcert – niet de meest voor de hand liggende soundtrack voor een gesprek over Les Bienveillantes, Littells roman over een overtuigde nazi in de Tweede Wereldoorlog. Een opera van Wagner was logischer geweest, suggereer ik, meteen bedenkend dat de hoofdpersoon van Les Bienveillantes een barokliefhebber is en dat de hoofdstukken zijn genoemd naar delen van een partita van Bach. En dus reageert Littell onmiddellijk: „Wagner en nazi’s, dat is zo’n cliché. Bij een Vietnamfilm kun je aankomen met Die Walküre, maar in een boek over nazi’s is het zoiets als zout toevoegen aan zeewater. In mijn roman heb ik juist niet geprobeerd om te herhalen wat de nazi’s met muziek deden. Hún soundtrack bestond uit Wagner en Bruckner, de mijne is Bach.”

De opgezette barok-cd (niet van Bach, maar van de Fransman Marin Marais) lijkt overigens nog een ander doel te hebben: als hij na een uur afloopt, is de stilte een hint dat Jonathan Littell het gesprek als voorbij beschouwt – zoals een horecabaas tegen sluitingstijd het licht aandoet. Littell is niet dol op interviews, en hij heeft ter gelegenheid van de verschijning van De Welwillenden, zoals Les Bienveillantes in het Nederlands heet, pas na lang aandringen van De Arbeiderspers toegestemd in een telefoongesprek. „Praten over je werk is iets voor politici, niet voor schrijvers”, zegt hij. „Een interview wordt gegeven uit commerciële en niet uit artistieke noodzaak. Mensen moeten boeken zo vrij mogelijk kunnen lezen, zonder dat de schrijver hun ideeën opdringt.”

Het hoeft dus ook niet te verbazen dat Littell (New York, 1967) aanvankelijk schoorvoetend ingaat op vragen over De Welwillenden, dat twee jaar geleden de Prix Goncourt won en sindsdien meer dan een miljoen keer over de toonbank ging, in het Frans, het Spaans en het Duits. Nog niet in het Engels, wat opmerkelijk is, aangezien Littell – als zoon van de joods-Amerikaanse spionagethrillerschrijver Robert Littell – perfect tweetalig is. Zelf wilde hij het in elk geval niet vertalen: „Ik heb zes maanden geschreven aan het boek en vijf jaar besteed aan de voorbereiding. Dat lijkt me genoeg.”

De Welwillenden, dat schitterend vertaald werd door Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen, is het verhaal van Maximilian Aue, een in Frankrijk wonende kantfabrikant met een verleden als hoge nazi in het Derde Rijk. Beginnend met de omineuze woorden ‘Mensenbroeders, laat me u vertellen hoe het is gegaan’ vertelt hij hoe hij als wetenschappelijk lid van de Sicherheitsdienst, de inlichtingendienst van de SS, betrokken was bij de grootste gruwelen van de Tweede Wereldoorlog: de pogroms (‘Aktionen’) in de zuidelijke Sovjet-Unie anno 1941, de Slag bij Stalingrad, de vernietiging van de joden in Auschwitz, de deportatie van de Hongaarse joden in 1944, de bloedige anarchie van de laatste oorlogsmaanden en de Val van Berlijn in april 1945. De vaart waarmee Aue vertelt – aus einem Guss, met een minimum aan alineascheidingen – en ook de bijna absurdistische humor van zijn avonturen maken dat de roman leest als de literaire pendant van films als Apocalypse Now en Der Untergang.

Aue is een verknipt figuur – verliefd op zijn tweelingzusje van wie hij als puber gescheiden werd, van de weeromstuit homoseksueel, schijnbaar schuldig aan moord op zijn moeder en haar man – maar hij wordt nooit zó onsympathiek of onbegrijpelijk dat je stopt met lezen. ‘Ik kan u garanderen dat er in elk geval geen greintje wroeging zal doorklinken’, schrijft hij op de eerste bladzij, maar hij maakt ook meteen duidelijk dat de hypocriete lezer – mon semblable, mon frère – ‘ook zou hebben gedaan wat ik deed’. Morele vragen over eigen verantwoordelijkheid en de lijn tussen goed en kwaad vormen de inzet van De Welwillenden; maar het perspectief is dat van de beul, en niet – zoals in de meeste oorlogsliteratuur – dat van het slachtoffer.

„Als mens ben ik meer geïnteresseerd in slachtoffers dan in beulen”, zegt Littell aan de telefoon. „Ik heb zeven jaar gewerkt voor humanitaire organisaties, onder slachtoffers van oorlog en aids in voormalig Joegoslavië, Tsjetsjenië en Congo. Het perspectief van de overlevenden is nauwelijks over te brengen, zo gruwelijk, maar het is succesrijk gedaan – zeker in het geval van de Holocaust. Als schrijver ben ik meer gefascineerd door de beulen; niet door degenen die moorden uit vrije keuze, maar door de moordenaars die nooit van plan waren dat te worden. Iedere generatie creëert nieuwe beulen, maar hun perspectief is nog steeds een zwart gat, en daar ben ik ingesprongen.”

Niet tot ieders tevredenheid, zo bleek de afgelopen jaren. In deze krant toonde Margot Dijkgraaf ontzag voor Littells ‘verpletterende boek’, maar beschuldigde ze de schrijver van literair onvermogen, het mengen van feit en fictie en effectbejag (Boeken, 03.11. 06). In Duitsland sprak Die Zeit van ‘walgelijke kitsch’ en Welt am Sonntag van een boek dat een gat in de markt, namelijk het verhaal van de daders, exploiteert. En in Frankrijk kreeg Littell aanvankelijk kritiek van Claude Lanzmann, wiens baanbrekende Holocaustfilm Shoah ironisch genoeg een van de belangrijkste invloeden op De Welwillenden was. Is de schrijver geschrokken van dit soort reacties?

Littell: „Voor mij was vooral van belang wat Holocaust-overlevers ervan vonden. Van hen kreeg ik nogal wat reacties, maar eigenlijk geen negatieve. En ik was erg blij dat de ultrarechtse pers geen goed woord voor De Welwillenden over had; die zag de roman als een joods complot om de ‘mythe van de Holocaust’ te verbreiden. Wat het vermengen van feiten en fictie betreft: dat zou alleen terechte kritiek zijn als ik me te veel vrijheden had veroorloofd. Max Aue is een verzinsel, net als een handvol andere personages. Maar alles wat hij zegt of doet of meemaakt is in

Vervolg op pagina 2

Jonathan Littell over de psychologie van de beul

Vervolg van pagina 1

de bronnen terug te vinden. Als je fictie bedrijft, moet je de feiten kennen, en ik heb me gedocumenteerd met de standaardwerken van Hilberg [De vernietiging van de Europese joden - PS], Kershaw [de definitieve biografie van Hitler], Browning [de monografieën over de ‘Oplossing van het Jodenvraagstuk’] en Arendt [De banaliteit van het kwaad], plus honderden andere boeken. Het mooiste compliment dat ik heb gekregen kwam van Jorge Semprun, Buchenwald-overlever en lid van de Goncourt-jury. Hij zei dat De Welwillenden echter is dan de werkelijkheid.”

Een van de vele indrukwekkende passages in De Welwillenden is de discussie die Aue aan het front bij Stalingrad voert met een Russische tegenhanger, een gevangen genomen officier die fanatiek partijlid is én filosofisch aangelegd. Hun gesprek, over de overeenkomsten tussen nazisme en communisme, rassenbewustzijn en klassenbewustzijn, is een variatie op een scène uit de roman Leven en lot van Vassili Grossman, een Russische journalist-romanschrijver die zeer door Littell bewonderd wordt. Als ik vraag of Littell zich hiermee mengt in de Historikerstreit uit de jaren tachtig, toen de Duitse historicus Ernst Nolte veel woede opriep met zijn stelling dat de Holocaust geen unieke gebeurtenis was (maar een reactie op de gruwelen van het Sovjet-regime), reageert Littell als door een wesp gestoken.

,,Natuurlijk probeer ik de Historikerstreit geen nieuw leven in te blazen; die is sterk verbonden met de nadagen van de Koude Oorlog en de scherpe Oost-Westtegenstelling. Wel geloof ik dat stalinisme en nazisme met elkaar vergeleken kunnen worden, hoe verschillend ze ook zijn. Communistische moordenaars had je in alle soorten en maten, net als nazimisdadigers; het maakte de staat – zoals Aue het formuleert – niet uit of iemand joden of klassevijanden vermoordde uit haat, carrièrezucht of sadisme. Toch staan wij doorgaans sympathieker tegenover bolsjewistisch idealisme dan tegenover nazi-idealisme. Ze hadden het allemaal bij het verkeerde eind, maar dat maakt het niet minder interessant om te zien wat ze dachten.”

In De Welwillenden leren we Aue goed kennen; je zou zelfs kunnen zeggen dat hij zich ten overstaan van de lezer aan een zelfanalyse onderwerpt. Een jaar geleden deed Littell iets dergelijks met de Belgische fascist en collaborateur Léon Degrelle (1906-1994), die hij in de studie Le sec et l’humide (Besproken in Boeken 25.04.08) onverbiddelijk op de divan legde. Het deed velen vermoeden dat Degrelle (die ook nog een bijrolletje in De Welwillenden speelt) het model was voor Maximilian Aue. Ten onrechte, bezweert Littell: ,,Aue is niet op één historische figuur gebaseerd; hij is het prototype van een reëel bestaande sociologische groep uit de oorlogsjaren: die van intellectuele SD’ers. En nu we het toch over types en modellen hebben… Aue is ook niet Orestes, zoals je misschien zou denken op grond van sommige details van zijn levensverhaal of van de titel van de roman. [‘De Welwillenden’ is de bijnaam voor de drie Furiën die de mythische koningszoon Orestes achtervolgen, omdat hij zijn moeder heeft vermoord – PS.] Natuurlijk is het mooi als de Griekse tragedie resoneert in een roman, maar ik mag hopen dat er evenveel Dostojevski als Aeschylus of Sophocles in De Welwillenden doorklinkt.”

Alle literaire invloeden die Littell noemt zijn Europees – opvallend voor iemand die weliswaar zijn jeugd doorbracht in Frankrijk, maar naar de middelbare school ging in zijn vaderland en studeerde aan de universiteit van Yale. Met de Amerikaanse literatuur heeft hij weinig op, zegt hij, „tenminste: niet met de Angelsaksische mainstreamtraditie van Hemingway en Fitzgerald. De beste schrijvers dompelen zich onder in verschillende tradities: de Russische en de Engelse, zoals Lermontov, de joodse en de Midden-Europese, zoals Kafka, en de Amerikaanse en de Europese, zoals Herman Melville en Nathaniel Hawthorne.

„Melville bewonder ik, alleen al om de vrijheid waarmee hij in Moby-Dick de romanvorm naar zijn hand zette door er encyclopedische uitweidingen en filosofische discussies in te verwerken. Dat heb ik in De Welwillenden ook geprobeerd. Een roman is alles wat je in proza tussen twee kaften kunt krijgen.”

Met Melville, de man van ‘a blackness ten times black’, deelt Littell ook zijn zwarte kijk op de wereld. Als ik de schrijver van De Welwillenden tot slot een uitspraak van Aue voorleg – ‘onmenselijkheid bestaat niet, er is alleen het menselijke’ – en vraag of dát de moraal van de roman is, antwoordt hij: „Dat is uw interpretatie, and you’re welcome to it. Elke zorgvuldige lezing van een boek is gerechtvaardigd. Sommige critici hebben me verweten dat ik een afschuwwekkend boek heb geschreven. Maar de wereld is afschuwwekkend. Als er een leukere wereld komt, zal ik leukere boeken schrijven.”

Jonathan Littell: De Welwillenden (Les Bienveillantes). Uit het Frans vertaald door Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen. De Arbeiderspers, 981 blz. € 45,- (gebonden), tot 5 januari € 39,95.

Lees de recensie van Margot Dijkgraaf, de stukken van Arnold Heumakers en een artikel over de ontvangst van ‘Die Wohlgesinnten’ in Duitsland via www.nrcboeken.nl