Een van de laatste, échte, vrije boeren

Boer Heijmen Brouwer wil emigreren, naar Frankrijk. Volgende week in première: een documentaire over cultureel erfgoed op het platteland.

De tafel in de boerenkeuken is oud, en ook een beetje viezig. Heijmen zit er tussen stapels beduimelde papieren en verroeste voorraadblikken en belegt zijn boterham. Gesnipperde ui met plakken worst, zelf gedroogd boven de kachel. Aan dezelfde keukentafel vertelt hij per telefoon kennissen zijn grote nieuws. Boer Heijmen gaat emigreren. Naar „Frankriek”. Samen met blinde, zwakbegaafde knecht Hendrik, van 77. En zijn nieuwe liefde, Janine.

De 62-jarige Heijmen Brouwer vormt het onderwerp in een documentaire van Geertjan Lassche, De boer die zou emigreren. De film, Lassches eerste lange regisseursdocumentaire, is geselecteerd voor het documentairefestival IDFA in Amsterdam dat gisteren begon.

„Heijmen moet een van de laatste échte, vrije boeren zijn”, zegt Lassche.

De 31-jarige EO-journalist van Netwerk woont zelf ook in een kleine boerengemeenschap, het dorp Rouveen waar hij opgroeide. Het dorp van zijn jeugd bestaat niet meer. De boer uit Leusden wilde hij graag vastleggen voor de geschiedenis. „Dit is deel van ons cultureel erfgoed”, zegt Lassche. De kippen op het erf, de liefdevolle en volgens ‘burgers’ wrede manier waarop de boer met z’n koeien omgaat, dat is volgens hem nu zeldzaam.

Het thema doet denken aan de Franse documentairehit Paul dans sa vie (Rémi Mauger, 2005), die onverwachts mocht rekenen op een publiek van miljoenen nostalgische Fransen. Deze film portretteert de 75-jarige boer Paul Bedel en zijn boerenbestaan op het Normandische platteland. Die film heeft Geertjan Lassche niet gezien. En hij benadrukt dat zijn documentaire zeker geen lofzang is op de levenswijze van een eigenzinnige Nederlandse boer.

„Het is een registratie. Ik wilde graag de schoonheid van dat pure bestaan vastleggen.”

Als het prototype-boer op een oude schoolplaat scharrelt Brouwer rond op zijn rommelige erf. Je kunt de mest, die knecht Hendrik niet meer uit de kruiwagen gestort krijgt, bijna ruiken. Toeterend snuit Brouwer zijn neus in een rode boerenzakdoek. Alleen uit de rondslingerende papieren van de Belastingdienst op de keukentafel valt op te maken dat deze film niet is opgenomen in de jaren vijftig, maar tussen 2006 en 2008.

„Als kijker blijf je worstelen wat je nu moet vinden van Heijmen”, zegt Lassche. „Je kunt jaloers zijn op zijn boerenwijsheid en zijn zelfredzame bestaan, maar aan de andere kant is het helemaal niet meer van deze tijd, hij laat een kalf de hele dag dood in de wei liggen. Is hij nou een paradijsvogel, getikt, of de laatste eerlijke boer?”

Hoe Hollands hij ook schijnt, Brouwer is Nederland „spuugzat”. Dat „kinderachtige gedoe”, zegt hij, dat de ene helft van Nederland de andere helft moet controleren. Je hebt totaal geen „bewegingsvrijheid” meer als boer, en je wordt overal bespied en gecontroleerd.

Hij wil naar Frankrijk, „het beloofde land”. Om zich hierop voor te bereiden, heeft hij in de keuken kleine briefjes opgehangen met Franse woordjes. Deur: porte. Deurknop: bouton de porte. En op de klok hangt het woord voor ‘klokhuis’: trognon.

Maar emigreren, met veestapel en al, is niet eenvoudig. Of het hem zal lukken om te vertrekken, blijft lang onduidelijk in de film. Maar terwijl de blauwtongcrisis om zich heen grijpt en de grenzen dichtgaan, pakt Brouwer onverstoorbaar z’n porseleinen servies in op de keukentafel.

„Frankrijk is een mooi land met een hoop ruimte”, verklaart Heijmen in de film, met onweerstaanbaar ondeugend glinsterende ogen. „En het is toch nog boerenminnend, gaat anders met de regels om. Met de wet kun je linksom of rechtsom gaan. Dat scheelt een mooi stukkie.”

De boer die zou emigreren gaat op het IDFA in première: di. 25.11 (19.45u), Tuschinkski, A’dam.