Een menselijke stem kan sussend werken

Autistische kinderen die naar menselijker gemaakte muziek luisteren hebben meer controle over hun emoties.

Ze worden ook minder overgevoelig voor geluid.

Uit de laptop van neurowetenschapper Stephen Porges klinkt een folksong. Een man zingt, een gitaar begeleidt. Het klinkt niet opzienbarend, behalve dat de muziek regelmatig op een rare manier zachter wordt. Opeens is de stem van de zanger nauwelijks meer hoorbaar, om vervolgens weer aan te zwellen. „Je luistert, en je hersenen vullen het in. Je reikt naar het geluid”, zegt Porges.

De muziekfragmenten zijn met de computer bewerkt. Hoogleraar Porges behandelt er autistische kinderen mee, in het Brain Body Center van de Universiteit van Chicago, dat hij leidt. De kinderen luisterden vijf dagen achtereen steeds drie kwartier naar dit soort gemodificeerde muziek. En dat werkt, blijkt uit Porges’ patiëntstudies. De kinderen worden minder overgevoelig voor geluid en hebben meer controle over hun emoties.

Porges’ methode is onconventioneel, en gebaseerd op een theorie die hij sinds 1995 heeft ontwikkeld: de ‘polyvagale theorie’. Die maakt aannemelijk dat mensen die angstig of defensief zijn, zich meer open en sociaal kunnen gaan gedragen als de spieren in hun gezicht of middenoor gestimuleerd worden. En dat laatste is juist wat zijn geluidsfragmenten doen.

De neurowetenschapper onderscheidt in zijn theorie drie verschillende circuits in het zenuwstelsel die te maken hebben met het vermogen om je veilig te voelen. En de verbinding tussen die drie systemen is de nervus vagus. „De nervus vagus is niet één zenuw, het is een buis of pijp vanuit verschillende delen van het brein, waarin meerdere zenuwbanen lopen. In de evolutie zijn oudere structuren behouden en gemodificeerd. De ‘oude’ vagus was een systeem om hartactie en metabolisme te verminderen. Dat doen reptielen als ze angstig zijn: stilzitten. Zoogdieren kunnen ook kiezen voor bewegen: vechten of vluchten. En wij hebben daarbovenop een systeem dat dat afsluit, en zorgt dat we elkaar nabij kunnen zijn.

„Het evolutionair nieuwere systeem is fysiek verbonden met het systeem dat de gezichtsspieren aanzet. Als we terugvallen op oudere systemen, zie je dat dus: gebrek aan zenuwcontrole in het gezicht. Mensen hebben masker-achtige, vlakke gezichten zonder emotie. Ze spreken zonder intonatie, ze moduleren de frequentie van hun stem niet. En ze krijgen moeite om menselijke stemmen te onderscheiden van achtergrondgeluid. In ons middenoor zitten spieren. Als die verslappen, kun je hogere frequenties, en dus spraak, moeilijker waarnemen tussen verkeer of geluiden uit de kamer.

„Dat alles zie je ook bij mensen met psychische aandoeningen: ze voelen zich onveilig en vallen terug op andere, niet-sociale gedragsstrategieën.”

En het stimuleren van het ‘hogere’ systeem kan patiënten helpen?

„Je kunt dat circuit aanspreken zodat mensen spontaner op anderen reageren. In de hele geschiedenis ontspannen mensen door te luisteren naar muziek, en met name muziek die lijkt op de menselijke stem. In de geluidsfragmenten die ik gebruik, heb ik de frequentiewisselingen die de stem kenmerken, duizendmaal versterkt. Dat brengt veranderingen teweeg. De helft van de autistische kinderen die in ons lab komen, is overgevoelig voor geluid. Door de behandeling verdween dat bij 60 procent van hen. Ze konden dus beter spraak van achtergrondgeluid onderscheiden, zodat dat niet meer zo stoorde. En ze hadden dus meer controle over hun emoties.”

Dat gebeurt bij gewone muziek?

„Nee. Die controlegroep kon wel wat beter luisteren en hun spontane taalgebruik verbeterde, maar gefilterde muziek levert unieke resultaten. In een vervolgstudie volgden de kinderen ook andermans blik beter.”

Hoe lang beklijft dat?

„In die eerste studie volgden we kinderen uit rijke, hoogopgeleide gezinnen, van sommige ouders krijg ik nog steeds positieve berichten. Maar in de vervolgstudie in arme gezinnen was het effect snel weg. Ik denk dat de ouders niet goed reageerden op het kind, dat opeens aandacht vroeg. Je kunt het systeem wekken, maar daarna moet de omgeving meewerken.”