Dirigeren met een gebalde vuist

Hij was de laatste van de klassieke school, constateerde hij zelf ooit tevreden. „Toen Bruno Walter overleed heb ik mijn gages verhoogd.” Otto Klemperer (1885-1973) heeft ze allemaal overleefd: niet alleen Walter, ook Toscanini en Furtwängler. Hij bleef over als de laatste van een legendarische generatie dirigenten. De fameuze muziekproducent Walter Legge bezorgde Klemperer een zonnige nazomer van zijn carrière door hem, toen hij al tegen de zeventig liep, binnen te halen bij het Londense Philharmonia Orchestra en platenmaatschappij EMI. Aan die late bloeiperiode was een carrière voorafgegaan vol worstelingen, die in het teken stond van Klemperers manisch-depressieve ziekte.

Met zijn autoriteit hoefde hij op het laatst alleen nog maar voor het orkest te gaan zitten en er te zijn. Hij dirigeerde met zijn blik en met een vervaarlijk zwaaiende, gebalde vuist. Hij haalde de muziek uit het orkest, zoals een beeldhouwer de vorm uit steen. Zijn interpretaties waren net zo monumentaal als zijn verschijning. Ook zijn smaak ging uit naar het grote werk: Beethoven, Brahms, Bruckner en Mahler.

Zijn biograaf Peter Heyworth karakteriseert hem in Otto Klemperer. His Life and Times – een van de beste dirigentenbiografieën – als „een man tussen twee werelden”. Hij was een van de laatste laatromantici, diep beïnvloed door zijn held Gustav Mahler, maar evenzeer getekend door de nieuwe zakelijkheid van de jaren twintig. Hij maakte naam met eigentijdse muziek: veel Hindemith en Strawinksy. Maar hij gaf zijn visitekaartje ook af met Beethoven en Bruckner, ontdaan van veel van de gangbare emotie en retoriek – ruw, revolutionair. Verleidelijk om te concluderen dat zijn liefde voor coherentie, nuchterheid en heldere structuren een noodzakelijk tegenwicht vormden voor zijn extreme, chaotische gemoedsbewegingen: de troost van de vorm als de enige manier om aan zichzelf te ontsnappen.

Zijn langzame tempi in de laatste fase van zijn leven zijn berucht, maar in eerdere periodes speelde hij vaak sneller dan veel collega’s – wars als hij was van sentimentaliteit. Later legde hij er de nadruk op dat muziek moet ‘ademen’ en de tijd moet krijgen. Hoe dan ook, zijn traagheid en zelfs logheid hebben hun eigen, onmiskenbare grandeur.

Wanneer hij in een manische fase verkeerde, componeerde hij als een dolle. Hij belaagde dan iedere vrouw die hij tegenkwam, smeet met geld en verdween elke avond in het nachtleven, waaruit hij soms zwaar gehavend terugkeerde. Zijn donkerste periode volgde na een operatie aan een hersentumor in 1939 in de Verenigde Staten. Daarop volgden zwerversjaren, waarin hij niet meer in staat was muziek te maken. Op zeker moment liet de politie een opsporingsbevel uitgaan, waarin Klemperer werd aangemerkt als ‘gevaarlijk’.

Hij stond aanvankelijk niet onwillig tegenover het nationaal reveil van Duitsland, maar moest zijn land in 1933 als Jood ontvluchten. Hij was een van de eerste vluchtelingen die, in 1946, weer in Duitsland optrad – in een geste van verzoening, hoewel hij een wraakzuchtige anti-nazicantate had gecomponeerd.

Met een hoofd dat zo overloopt, toch zo lucide musiceren, daarin schuilt zijn unieke grootheid. Bij zijn concerten hing vaak een gewijde, religieuze sfeer, ondanks of misschien juist door zijn hoekigheid – door de materie tot de geest.

Bekijk en beluister Klemperer op nrc.nl/dirigentenparadijs