De R VAN WORST

Tobias blijft een nacht bij Rintje slapen. Hij heeft zijn mandje meegenomen en zijn lievelingsbal.

„Jouw mand is kleiner dan de mijne”, zegt Rintje. „Ja, hij is smaller, maar ook langer”, zegt Tobias. „Dat is omdat ik een langer lijf heb. Kijk maar.” Hij zet zijn mand naast die van Rintje. „Als ik in mijn mand lig, noemt mijn moeder me altijd haar lekkere worstenbroodje!”

„Over worst gesproken”, zegt Rintje. „Vanavond moeten we zingen!”

„Hoezo?” vraagt Tobias.

„Zingen bij de schoorsteen”, zegt Rintje. „Voor Sinterklaas!”

„Maar ik zing niet mee”, zegt Tobias, „want dat snapt Sinterklaas niet!”

„Hoe bedoel je?” vraagt Rintje. „Sinterklaas is heel oud en wijs, die snapt alles!”

„Maar hij weet toch niet dat ik niet in mijn eigen huis ben”, zegt Tobias. „Ik moet zingen bij mijn eigen schoorsteen, anders krijg ik echt niks lekkers!”

„Zingen jullie maar samen”, zegt mama. „Sinterklaas begrijpt het vast wel.”

Als ze hun tanden hebben gepoetst gaan Tobias en Rintje zingen. Ze beginnen met Sinterklaas Kapoentje en Zie ginds komt de stoomboot en daarna zingen ze Het heerlijk avondje is gekomen.

„Prachtig”, zegt mama. „Hier is een winterwortel, leg die maar bij de schoorsteen voor het paard van Sinterklaas.” „En een bakje water”, zegt Tobias. „Want dat paard moet veel lopen, die wil vast tussendoor wel even wat drinken!”

„Prima”, zegt mama, „en nu gaan slapen, en niet meer kletsen”.

„Slaap je al?” fluistert Rintje als mama weg is. „Nee”, zegt Tobias.

„We gaan niet slapen hoor”, zegt Rintje. „We blijven wakker zodat we Sinterklaas kunnen horen op het dak!”

„Ik ben benieuwd of ik ook iets lekkers ga krijgen”, zegt Tobias. „Misschien ben je wel stout geweest”, zegt Rintje. „Dan krijg je helemaal niks!”

„We moeten heel stil zijn”, zegt Tobias. „Anders hoor je het paard niet op het dak lopen.”

Rintje en Tobias zeggen geen woord meer en liggen met hun ogen dicht te luisteren. Binnen een paar minuten liggen ze heerlijk te slapen.

„Goedemorgen, wakker worden!” roept mama. Rintje en Tobias schrikken wakker. „Nou hebben we het paard niet gehoord!”

„Kom, we gaan kijken of hij is geweest!” zegt Tobias. Ze rennen naar beneden. De winterwortel is weg en het waterbakje van het paard is leeg. Ernaast liggen twee pakjes. Snel maken Rintje en Tobias hun pakjes open. „Het is een lekkere worstenbroodjesletter!” roept Rintje. „Ja, het is een worstenbroodje”, zegt Tobias, „maar ik zie er geen letter in!”

„Leg ze eens naast elkaar”, zegt Rintje. „Kijk, samen vormen ze een R, de R van Rintje.”

„Wacht eens”, zegt Tobias. Hij pakt het stuk worstenbrood van Rintje en bijt er een stuk af. Dat legt hij naast zijn eigen stuk. „En zo is het de T van Tobias!”

„Zie je wel dat Sinterklaas wist dat jij er was”, zegt Rintje. „Het is een worstenbroodletter voor ons allebei!”

EINDE