De doodskabouters van een puddingliterator

De meeste schrijvers en boeken worden vergeten. Wie over vijftig of honderd jaar nog in tel zullen zijn, niemand die het weet. Een ding is wél zeker: succes tijdens het eigen leven zegt niets over de latere populariteit. Dus ook wie nu ongelezen blijft, hoeft de hoop niet op te geven. Leve de postume ontdekking! Maar er is ook een categorie dichters en schrijvers die meer dan eens worden ontdekt – omdat ze telkens weer worden vergeten.

In Nederland behoort de Rotterdammer Jo Otten (1901-1940) tot deze categorie. In de jaren twintig en dertig schreef hij een aantal verhalen, romans en essays, hij promoveerde als econoom op het fascisme (zonder fascist te zijn) en hij vertaalde Machiavelli. Een tijdlang ging hij om met Ter Braak, maar diens boezemvriend Du Perron moest niets van hem hebben. Du Perron (hij schreef het aan Ter Braak) vond Otten een ‘pudding-literator’ met een ‘stijl, die van burgermansgemeenplaatsen aan elkaar hangt’.

Bert Schierbeek dacht daar in 1967 heel anders over en hij bezorgde een heruitgave van Ottens bekendste novelle Bed en wereld uit 1932. ‘In vrijmoedigheid en stijl was hij zijn tijd vooruit’, aldus Schierbeek, ‘Een zéér modern boek’. Daarna werd het weer stil rond Otten, die in de meidagen van 1940 tijdens het Duitse bombardement op Den Haag om het leven was gekomen.

Inmiddels heeft Schierbeek een opvolger gekregen in de persoon van Rob Groenewegen, die een biografie van Otten voorbereidt. In de inleiding bij de nieuwe heruitgave van Bed en wereld (In de Knipscheer) noemt hij Otten ‘een schrijver van grote allure’. Wie heeft gelijk: Du Perron of Schierbeek/Groenewegen?

Vreemd genoeg is voor beide visies wel iets te zeggen. Bed en wereld is een ongewoon boek, zeker voor Nederland waar modernisme en avant-garde altijd marginale verschijnselen zijn gebleven. Otten laat een verteller aan het woord die vanuit zijn bed zo ongeveer de hele wereld tracht te omarmen. De tekst bestaat uit één lange monologue intérieur, waarin we worden meegenomen naar het Parijs van Baudelaire, het Londen van Thomas de Quincey en het Civitá Vecchia van Stendhal. We vangen een glimp op van Stalin in het Kremlin en maken kennis met het ‘goddelijk’ dansende ‘negermeisje’ Little Esther. Dan zijn we opeens getuige van een lynchpartij in de USA. Obama is hier nog ver weg. Dat geldt ook voor de aandoenlijke, onbedoeld racistische clichés van de verteller wanneer hij enthousiast een ‘negerbal’ in Parijs beschrijft onder het motto: ‘laten wij de beschaving even vaarwel zeggen’.

Het modernistische principe dat deze novelle regeert heet, in slecht Nederlands, ‘simultaniteit’: hoe kun je zoveel mogelijk, ook de meest tegenstrijdige zaken, tegelijkertijd vangen in één tekst? ‘In mijn hoofd leven zoveel gedachten, voorstellingen en gebeurtenissen naast elkaar dat ik somtijds vrees dat het schedeldak zal bezwijken’, zegt Ottens verteller. Als het hem te veel wordt, gaat hij nota bene in een Parijs’ bordeel (ook in erotisch opzicht is Otten ongewoon) op zoek naar een slaapmiddel. Waarna een lofzang volgt op de droom als sociale ‘wapenstilstand’, maar angstdromen over het Grote Niets maken dat alles uitmondt in een doodswens, gericht tot de ‘doodskabouters’.

Jo Otten moet zijn Dostojevski (Aantekeningen uit het ondergrondse) goed hebben gelezen. Ook Nietzsche, Freud, Gide en het surrealisme zijn niet ver weg, maar het is toch vooral het niveauverschil dat in het oog springt. ‘Ieder elan verzandt’, schrijft Otten ergens. Zo is het jammer genoeg ook met deze novelle. Hoe interessant en gewaagd de opzet ook oogt, een heftige existentiële botsing tussen de tegenpolen bed en wereld, rust en bedrijvigheid – het resultaat heeft iets potsierlijks, en dat niet alleen vanwege die doodskabouters.

Hoe serieus kun je iemand nemen, die na het aanroepen van ‘Pan’ en ‘Dionysus’ schrijft: ‘Vrouwen, sla nu de druiven stuk op uw borsten, opdat het sap verkwikkend en verleidend over uw buik naar uw pubis stroomt’? En die de mannen waarschuwt: ‘Wacht u, wacht u, zijt toch niet als geile muizen, wacht u voor No man’s land, voor de grauwe ontgoocheling van het bevredigde vlees’. Geen wonder dat deze novelle werd vergeten.

Toch snap ik dat men er steeds weer aandacht voor vraagt. Hoewel weinig zo snel veroudert als juist dat wat met alle geweld ‘modern’ wil zijn, zit er iets authentieks in dit proza: de nervositeit, de gretigheid het volle leven te omarmen en tegelijkertijd de angst voor wat je dan allemaal in huis haalt, dat alles is meer dan een modieuze bevlieging. Het zou voldoende zijn om iets werkelijk bijzonders tot stand te brengen, als Otten over genoeg talent had beschikt.

Juist deze combinatie van moderniteit, authenticiteit en gebrek aan talent maakt een schrijver of kunstenaar geschikt voor geregelde herontdekking. Otten doet wat dit betreft denken aan zijn tijdgenoot Erich Wichman, beeldend kunstenaar, fascist en auteur van het vermakelijke pamflet Lenin stinkt, die ook meer dan eens aan de vergetelheid is ontrukt om daar telkens opnieuw in te verzinken. Hun werk lijkt reuze interessant, spannend, onalledaags, en dat is het ook, maar de belangstelling ‘verzandt’ omdat de vermogens te zeer bij de ambities achterblijven.

Wat ontbreekt is het ene overtuigende meesterwerk dat alle sluimerende beloften waarmaakt. Bij Otten had dat Bed en wereld moeten worden, zijn beste boek, maar het is gewoon niet goed genoeg. Ook deze nieuwe heruitgave voorspel ik een nabije toekomst van vergetelheid – tot de volgende herontdekking.