Copernicus herkend aan grijze haren

Het is nu zeker: de schedel die drie jaar geleden in een kathedraal in het noorden van Polen werd gevonden, is inderdaad van Nicolaas Copernicus (1473-1543), de vader van de moderne astronomie.

Poolse en Zweedse onderzoekers hebben dit gisteren in Warschau bekendgemaakt. Hun eindoordeel is gebaseerd op DNA-tests op een tand uit de schedel en op twee haren uit een boek dat Copernicus jarenlang in zijn bezit had en veel zou hebben gelezen.

Dat boek, Calendarium Romanum Magnum van Johannes Stöffler uit 1518, belandde tijdens de Pools-Zweedse oorlogen in de zeventiende eeuw als oorlogsbuit in Zweden en ligt nu in de Universiteit van Uppsala. In 2006 ontdekten de Poolse archeoloog Jerzy Gassowski per toeval haren tussen de bladzijden van het boek. Er werden er tien gevonden.

De schedel werd in 2005 aangetroffen in de kathedraal van Frombork. Het was bekend dat Copernicus een groot deel van zijn leven in die Noord-Poolse stad heeft doorgebracht, als kanunnik.

De schedel lag onder het hoofdaltaar, met de overblijfselen van vijftien andere personen, maar slechts twee van hen bleken zeventig jaar of ouder te zijn geworden.

Dat het om Copernicus ging, kon in 2005 al met redelijk grote zekerheid worden vastgesteld: een van de schedels had, net als de astronoom, een litteken boven het rechteroog. Met behulp van Poolse forensische experts werd een gezichtsreconstructie gemaakt die sterke gelijkenis vertoont met bekende portretten van Copernicus.

Copernicus, die in Polen Mikolaj Kopernik heet, ontdekte dat de aarde om de zon draait en niet andersom, zoals lange tijd werd aangenomen. Deze conclusie veroorzaakte indertijd een grote schok, vooral in de katholieke kerk.

De huidige bisschop van Frombork, Jacek Jezierski, beloofde gisteren dat Copernicus een „prachtige sarcofaag" krijgt in de kathedraal.