Codex parlementarius versus de terugkeer van de politiek

Iedereen wil elkaar op dit moment vrij letterlijk mores leren. In Den Haag is minister Guusje ter Horst (Binnenlandse Zaken, PvdA) met weinig anders bezig dan het vastleggen van ongeschreven regels, mores, of het herschrijven van oude regels. Zo wil zij naar Brits model het gewenste gedrag voor ambtenaren in een code voorschrijven. Ook wil zij de Grondwet in gewone mensentaal laten opschrijven. In verband daarmee komt er ook een zogeheten Handvest Verantwoord Burgerschap. Ook wel aangeduid als een seculiere catechismus.

Het is de bestuurlijke reflex op de gedachte dat de samenleving van haar ankers is geslagen: stormlijnen vast.

De vraag is of het veel zal helpen. De voornemens van Ter Horst doen denken aan briefjes als ‘wil iedereen zijn eigen rotzooi opruimen’ in studentenhuizen: sfeerverhogend, maar nutteloos.

Toch slaat hetzelfde verschijnsel nu ook toe in de nationale volksvertegenwoordiging. Zes leden van de fracties van CDA, PvdA, VVD en de fractievoorzitter van de ChristenUnie, Arie Slob, hebben er bij Kamervoorzitter Gerdi Verbeet (PvdA) per brief op aangedrongen de parlementaire gedragsregels te „codificeren”.

Het moet wat hen betreft maar eens afgelopen zijn met ontoelaatbaar taalgebruik. Het gaat om beledigingen, kwetsende teksten en uitlatingen „die een inbreuk maken op mensen die zichzelf niet in het debat kunnen verweren”.

Zonder dat de briefschrijvers het beestje bij de naam noemen, is duidelijk tegen welke partij dit initiatief is gericht: de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders.

Vanuit het perspectief van de ongeschreven regels is het een interessante zaak. Wilders en zijn fractiegenoten maken regelmatig duidelijk dat zij geen boodschap hebben aan een aantal gedragsregels in het parlement. Sterker, normafwijkend gedrag is – net als voorheen bij de LPF en soms ook bij Rita Verdonk – fundamenteel onderdeel van hun politieke performance. Het is een boodschap aan de kiezer: „Wij horen niet bij de oude politiek.”

Voor Wilders zou een gedragscode daarom ook manna uit de hemel zijn. Deze week bleek dat al. In het debat naar aanleiding van het dumpen van minister Ella Vogelaar (WWI, PvdA) door haar eigen partij noemde Wilders haar ‘gekke Ella’. Toen PvdA-fractievoorzitter Mariëtte Hamer daar protest bij aantekende onder verwijzing naar de brief aan de Kamervoorzitter, zei Wilders: „U kunt honderdduizend brieven sturen, maar ik neem er geen millimeter afstand van.”

Overigens vinden leden van de fractie van Wilders dat de rest van de Tweede Kamer zich wel aan de eigen regels moet houden. Zo moest het Kamerlid Ineke van Gent (GroenLinks) van PVV’er Hero Brinkman terugnemen dat hij een ‘grote waffel’ had.

Wilders en zijn fractiegenoten zijn kortom uitstekend op de hoogte van de regels. Dus het vastleggen van die regels in een soort codex parlementarius heeft alleen nut als deze wordt gehandhaafd.

En daar nu heeft de Kamervoorzitter geen zin in. Verbeet is verbaasd over al die aansporingen om medeleden de mond te snoeren of zelfs het gebouw uit te zetten. En daarin heeft zij gelijk.

Een van de bekende kwalen van de Nederlandse politiek is dat politici weigeren te doen waar zij voor zijn: met elkaar van mening verschillen. Nederlandse parlementariërs zijn geselecteerd op compromisbereidheid. Het inleveren op het eigen gelijk is met onzichtbare inkt boven elk verkiezingsprogramma geschreven.

Het ergste wat deze politieke partijen kunnen bedenken is: niet meer praten met de tegenstander. Deze week was het zover. Afgezien van de SP boycotten alle partijen een interpellatiedebat van de PVV met minister Ernst Hirsch Ballin (Justitie, CDA). Goed, de aanleiding was misschien niet echt superbelangrijk: het verstoren van een lampionnenoptocht in Den Haag door Marokkaans Nederlandse jongeren. Aan de andere kant was de Tweede Kamer in het verleden ook enorm verontwaardigd over terroristische activiteiten als het voetballen met kransen van de 4-meiherdenking of feestvieren naar aanleiding van 9/11– wat achteraf overigens een broodje aap bleek. Recentelijk ging het over Gouda. Dan kan zo’n lampionnenoptocht er nog wel bij.

Natuurlijk is het optreden van Wilders en zijn fractie regelmatig verwerpelijk. Het door middel van insinuaties aanwakkeren van spanningen in de samenleving, het opjutten van burgers tegen de islam, en tegen Marokkaanse medeburgers in het bijzonder, is laakbaar. Het aanzetten tot haat kan bovendien leiden tot ernstige ongelukken.

Maar het instellen van een cordon sanitaire is opnieuw in het voordeel van Wilders. Het parlement is juist uitgevonden voor geweldloze conflictbeslechting. Tweede Kamerleden horen met elkaar in gevecht te gaan, verbaal, om werkelijk bloedvergieten te voorkomen.

D66-fractievoorzitter Alexander Pechtold heeft gelijk in zijn betoog dat de omvang van de achterban van Wilders niet moet worden overdreven. Het zou echter een misverstand zijn te denken dat een teleurgestelde minderheid in de samenleving straffeloos kan worden genegeerd.

De neiging om het debat uit de weg te gaan, moet worden onderdrukt. En ook het vastleggen van parlementaire regeltjes leidt alleen maar af. Leden van de Tweede Kamer: praat uzelf geen gezagscrisis aan.

Er is slechts een splijtend verschil van mening over de aanpak van de gevolgen van de immigratie van grote aantallen mensen met een andere taal, een ander geloof en een andere cultuur. De tegenstelling tussen multicultureel integreren en assimileren splijt bijvoorbeeld de PvdA en heeft Ella Vogelaar de kop gekost.

Maar die tegenstelling was er al een tijdje: de SP is er groot van geworden. Hetzelfde geldt nu voor partijen als die van Wilders of Rita Verdonk. Dat is niet iets om van te schrikken. Het is de terugkeer van de politiek in Nederland.

Wilt u reageren? Dat kan op: nrc.nl/politblog