Bordenmaker

Het was koud en het regende alsof de stad van de aardbodem gespoeld zou worden. Maar ik was op weg naar nieuw werk van de dichter Rogi Wieg, die zou voorlezen in de laatste aflevering van de serie Poëzie & Psychiatrie, als onderdeel van het Kwartiermakersfestival. Ik zag ernaar uit dat iemand anders het voortouw in mijn gedachten zou nemen. Opgejaagd als door een zweep zouden mijn gedachten als trage manegepaarden gedwongen worden naar buiten te gaan, nieuwe sprongen te maken, nieuwe hindernissen te nemen. Ik zag ze in de verte al galopperen.

Ik hoopte dat de zaal verduisterd zou zijn als een bioscoop, zodat ik niet het gevaar liep iemand tegen te komen die ik zou moeten begroeten. Ik had geen zin om te praten en geconfronteerd te worden met mezelf. Ik wilde wegzinken in gedichten, in de gedachten van iemand anders.

De bovenzaal van café Kapitein Zeppos zag eruit als een drukbezocht activiteitencentrum. Mensen zaten met thee en koffie rond tafeltjes druk met elkaar te praten. Tussen het draaien van shaggies door werd er gebreid, gepunnikt en getekend. Dichter en beeldend kunstenaar Frank Starik leidde de avond in, en begon tot mijn schrik met de vraag of iedereen zich even wilde voorstellen.

„Ik ben Hans. Ik schrijf wel eens wat”, zei Hans. „Ik ben Toos, ik weet eigenlijk niet wat ik hier kom doen.” „Betty”, zei Betty.

Ik zat achteraan, mijn beurt zou volgen. De paarden in mijn hoofd begonnen te steigeren. Ik zakte diep weg in mijn stoel, hopend dat de presentator me over het hoofd zou zien. Alsof er een wonder geschiedde, hoefde ik mezelf niet te introduceren. Nu zou eindelijk Rogi Wieg beginnen. Hij begon te vertellen, zoals dichters die vaak hebben voorgelezen dat goed kunnen. Uitgebreid verhaalde hij over zijn liefde voor de natuurwetenschappen, een uitdijend heelal, een net beëindigde relatie met een vierentwintigjarige schoonheid en hij legde uit hoe depressies en pillen zijn leven hadden beïnvloed. Een aantal bewonderaars op de voorste rij begonnen ervaringen met medicijnen en psychische stoornissen uit te wisselen met de dichter.

„Wat slik je dan?” vroeg Wieg bezorgd aan een van hen. „Ga je nog voorlezen?” wilde Hans weten. Na ruim drie kwartier was er nog geen gedicht aan bod gekomen. Wieg beloofde dat hij zou voorlezen uit Kameraad Scheermes, waarin hij verslag doet van zijn ervaringen als psychiatrisch patiënt. Om enige achtergrond te verschaffen bij het ontstaan van dit boek was het noodzakelijk eerst uit te weiden over zijn jeugd en zijn huwelijken, meende hij. Een anekdote zou inzicht verschaffen in zijn persoonlijkheid: „Een man die op zoek was naar een wasserette zag een winkel met een groot bord, waarop stond: wasserette. Hij liep naar binnen en vroeg of hij zijn was hier achter kon laten. Hij kreeg als antwoord: u kunt uw was hier wel achterlaten, maar u zal het niet schoon terugkrijgen. Ik maak namelijk alleen maar borden. Dat bord heb ik gemaakt, zei de bordenmaker en wees op het bord waarop ‘wasserette’ stond.”

„Ik ben de bordenmaker”, zei de dichter alsof dat iets verklaarde. Hij had zijn publiek nu ruim anderhalf uur onderhouden zonder poëzie. De paarden in mijn hoofd wisten niet meer welke kant ze op moesten galopperen. Dit was goed, met of zonder gedicht. „Lezen!” eiste Hans.