Bij ons krijgen allochtonen een natuurspeelbos

Het integratiebeleid in Nederland is de laatste jaren extreem verhard, hoor je vaak.

Maar nergens in Europa zie je zo veel hoofddoekjes achter de kassa van de supermarkt.

Volgens Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan – auteurs van de bundel Het bange Nederland – wordt Nederland nu al zo’n zeven jaar in de greep gehouden door een bekrompen nationalisme. In zeven jaar tijd zou Nederland zijn verworden van een open samenleving naar een land dat meent dat het integratievraagstuk alleen kan worden opgelost met een harde, polariserende aanpak. „Er zijn weinig landen die zo dwingend homogeen zijn als Nederland”, aldus Duyvendak in het laatste nummer van het tijdschrift Migrantenstudies. Engelen spreekt in hetzelfde nummer over „neonationalistisch beleid”. Hij brengt de recente ontwikkelingen in het Nederlandse integratiebeleid in verband met „Blut und Boden”.

Van wetenschappers mag je verwachten dat, als ze met grote woorden en harde oordelen in het publieke debat interveniëren, ze dit doen op basis van feitenkennis. Dit is echter niet het geval.

In 2007 onderzocht de Brusselse Migration Policy Group in samenwerking met de British Council en tientallen internationale experts het integratiebeleid in 27 Europese landen plus Canada. Als we Duyvendak cum suis moeten geloven zou Nederland op deze index een modderfiguur slaan. Maar Nederland behoorde, ook na vijf jaar Hilbrand Nawijn en Rita Verdonk als bewindspersonen voor integratie, nog tot de landen met de beste rechtspositie voor migranten. Het komt op de zogenaamde MIPEX-index onder de 28 landen op de vierde plaats, na Zweden, België en Portugal, maar vóór Canada, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, om maar te zwijgen van Duitsland, Denemarken en Oostenrijk.

Wat etnische zelforganisatie betreft concludeert het rapport: „Organisaties van migranten participeren in overlegorganen en kunnen subsidie verkrijgen onder gunstige voorwaarden waarmee Nederland op de derde plaats onder de 28 landen komt.”

Is er dan niets veranderd in Nederland de laatste jaren? Jazeker, op een paar punten worden sinds enkele jaren sterkere assimilatie-eisen gesteld en enkele regelingen voor minderheidsgroeperingen zijn geschrapt.

Net als in veel andere Europese landen zijn inburgeringscursussen verplicht geworden en het succesvol doorlopen ervan is een voorwaarde geworden voor naturalisatie. Huwelijksmigranten moeten een eenvoudiger versie van de inburgeringstest afleggen voor een verblijfsvergunning. Het onderwijs in allochtone levende talen is afgeschaft.

De Wet Samen, die beoogde de arbeidsmarktparticipatie van allochtonen in het bedrijfsleven door voortgangsrapportages te vergroten, is niet verlengd.

Als wij in het ‘bange Nederland’ inderdaad een „neonationalistisch integratiebeleid” hebben, wat is er dan in godsnaam aan de hand in de rest van Europa?

In het boek Contested Citizenship onderzocht ik samen met drie buitenlandse collega’s het beleid op deze terreinen in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Zwitserland.

Nederland blijkt het land te zijn dat het meest tegemoetkomt aan de eigen cultuur en religie van minderheidsgroepen, onder andere omdat Nederland:

anders dan Duitsland en Zwitserland halal slachten toestaat;

anders dan de andere vier landen de wet op de lijkbezorging heeft aangepast aan het islamitisch begraven binnen 24 uur na overlijden en zonder kist;

anders dan Frankrijk, Zwitserland en de meerderheid van de Duitse deelstaten leraressen op openbare scholen toestaat een hoofddoek te dragen;

meer gesubsidieerde islamitische scholen kent dan de andere vier landen bij elkaar ;

veruit het breedste aanbod heeft aan programma’s voor minderheden in de publieke media;

als enige van de vijf landen een actief voorkeursbeleid voor allochtonen voert voor overheidsfuncties.

In Nederland discussiëren we over burqa- en niqaabdraagsters, handenschudweigeraars, fundamentalististen die niet willen opstaan voor de rechter en andere vertegenwoordigers van de ultraorthodoxe marge binnen de islam. In andere landen (met uitzondering van Groot-Brittannië) wordt zelden of nooit gepraat over dit soort zaken – maar dat is niet omdat er daar zo tolerant mee wordt omgegaan. Integendeel, in die landen gaan de discussies over zaken die in Nederland al lang en breed gemeengoed zijn (hoofddoekjes, islamitisch onderwijs).

De hoofddoek is op een enkele uitzondering na – bij de politie en bij de rechterlijke macht – in Nederland toegestaan en de Commissie Gelijke Behandeling en de rechter zien toe op het recht op het dragen ervan. In Frankrijk is de hoofddoek verboden voor alle ambtenaren, inclusief leraressen, en bovendien ook voor leerlingen.

De hoofddoek is in Nederland veel meer geaccepteerd dan in de meeste andere Europese landen. Tel op vakantie de hoofddoekjes achter de kassa’s van de supermarkt en vergelijk dat met de Albert Heijn om de hoek.

Het multiculturele beleid duurt niet alleen voort waar het al bestond, maar is ook uitgebreid. De logica van het groepsdenken ontdekt voortdurend nieuwe toepassingsgebieden, recentelijk de allochtone natuurbeleving. De Stichting wAarde, een denktank binnen de natuur- en milieubeweging, stelt de prangende vraag:

„Hoe kun je nieuwe Nederlanders uitnodigen de (nu nog overheersend ‘witte’) natuurgebieden in Nederland te ontdekken?"

De Stichting Kantara in Amsterdam, die de Marokkaanse natuurbeleving voor haar rekening neemt, stelt: „De Nederlandse natuur is het bijna exclusieve terrein van blank Nederland.” Daarom vraagt Kantara aandacht voor de „factoren die de natuurbeleving van allochtonen kunnen storen, bijvoorbeeld: aanstootgevende (naakt)recreatie; gebruik van alcohol en drugs; honden(poep); te veel regelgeving (alleen op paden lopen).”

Samen met de Koninklijke Nederlandse Heidemaatschappij en Natuurmonumenten realiseert Kantara in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland het ‘natuurspeelbos Marhaba’.

Hoe komt het dat het multiculturele beleid in Nederland voortduurt, in weerwil van de opkomst van rechts populistische politici als Geert Wilders? En ondanks de plechtige verzekeringen van regeringszijde dat men het multiculturele beleid afgezworen heeft?

Het antwoord ligt in een uit de beleidswetenschap bekend mechanisme: padafhankelijkheid. Eenmaal in gang gezet, is de beleidstrein maar moeizaam op een ander spoor te brengen. De Nederlandse integratiebeleidssector omvat een breed veld van allochtone zelforganisaties, integratiespecialisten, multiculturele advies- en onderzoeksbureaus, diversiteitsdeskundigen en migratie- en integratie-onderzoeksinstituten, die uit een moeilijk ontwarbare combinatie van gewoonte, overtuiging en eigenbelang er toe bijdragen dat het beleid en de bijbehorende geldstromen in stand blijven.

Wetenschappers die hun werk goed doen, zouden op de hoogte moeten zijn van de feiten rond het Nederlandse integratiebeleid. Óf Duyvendak cum suis zijn niet op de hoogte van de feiten, óf ze kennen ze wel maar negeren ze.

Ten slotte nog dit. Wie politici en opiniemakers die een andere opvatting over integratie hebben, uitmaakt voor „volksmenners” of „enge nationalisten” en ze in verband brengt met „Blut und Boden”, verspeelt elk krediet om zich over de toon van het debat op te winden.

Ruud Koopmans is onderzoeksdirecteur aan het Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung (WZB) en hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.