Alleen het moederland geeft troost

Van Toni Morrison tot Edwige Danticat tonen grote schrijvers zich schatplichtig aan Chinua Achebe en de wijze waarop hij de taal van de kolonisator veroverde.

Begin dit jaar organiseerde het American Pen Centre in New York een Tribute to Chinua Achebe. Een tiental schrijvers van over de hele wereld bracht een ode aan de 76-jarige auteur van Things Fall Apart. Ieder van hen was door Achebe beïnvloed, gevormd. Ieder van hen illustreerde dat op eigen wijze. Edwige Danticat bijvoorbeeld, geboren op Haïti en wonend in Canada, auteur van Vaarwel broer, sprak over spreekwoorden uit Achebe’s oeuvre die voor haar schrijverschap van doorslaggevende betekenis waren, zoals ‘Als een kind zijn handen wast, kan hij eten met koningen’. Een boodschap van hoop en gelijke kansen.

Nobelprijswinnares Toni Morrison eerde Achebe als een van de eerste Afrikaanse auteurs die de stap naar het Engels had gemaakt. Achebe maakte zich niet alleen grammaticaal de Engelse taal eigen, maar voorzag die ook van zijn eigen stem, zijn eigen accent. Net als Achebe had Morrison zich vroeger gebogen over de vraag hoe Afrikaanse literatuur te definiëren. Was dat alleen de literatuur die over Afrika ging? En over welk deel dan, telde het noorden ook mee? En het Zuiden? Moest de literatuur in Afrika zelf geschreven zijn of gold ook literatuur die buiten het Afrikaanse continent was geschreven als Afrikaans? Was een Afrikaans thema doorslaggevend? Men was er toen niet uitgekomen. Het zijn precies de vragen die de Franstalige Afrikaanse schrijvers nog regelmatig bezighouden.

Vóór de komst van de Britse kolonisator in Nigeria waren er honderden gemeenschappen met ieder hun eigen taal, bracht Morrison in herinnering, ‘het kolonialisme vernietigde veel, maar het bracht wel één gemeenschappelijke taal, die de Nigerianen in staat stelde elkaar te vinden. Inmiddels was die taal in staat ‘the weight of the African experience’ te dragen.

Maar ook voor niet-Afrikaanse schrijvers bleek de manier waarop Achebe met het Engels omging een inspiratiebron. De in China geboren auteur Ha Jin bijvoorbeeld trad in zijn voetstappen en kleurde en kneedde op zijn eigen manier het Engels, net zoals Alain Mabanckou of Amadou Kourouma dat met het Frans doen.

In New York sprak ook Achebe zelf over die cruciale periode waarin hij als beginnend schrijver worstelde met het Engels. Hij herinnerde zich ‘de vreugde, de pijn maar ook de angst’ uit de tijd dat hij ‘het lef had een taal uit te vinden voor eigen gebruik’. Het maakt Achebe tot een vroege woordvoerder van al die andere schrijvers, al dan niet in ballingschap, die hun moedertaal verruilden voor de taal van hun land van aankomst – zeker als het de taal van de kolonisator betreft een moeilijke en omstreden keuze.

Achebe krijgt, zo vertelde hij, nog steeds brieven van mensen die recent Een wereld valt uiteen hebben gelezen, lezers uit Vietnam, ex-Joegoslavië, China. Vaak zijn ze getroffen door hetzelfde fragment: de rede van Uchendu. Uchendu is de oom van Okonkwo, de hoofdpersoon van de roman, een belangrijk man uit zijn clan, ambitieus en traditioneel. Als Okonkwo verbannen wordt ziet hij zijn ambitie een van de heersers van de clan te worden in rook opgaan. Hij vertrekt, zoals de traditie wil, met zijn drie vrouwen en elf kinderen naar het geboorteland van zijn moeder, waar hij een nieuwe start moet maken. Okonkwo geeft zich over aan wanhoop, ‘loopt gebogen van smart’.

Ter gelegenheid van een plechtigheid waarbij zijn jongste zoon een nieuwe vrouw huwt, spreekt Uchendu de ongelukkige Okonkwo toe. Hij vraagt hem waarom een van de meest voorkomende namen in zijn clan ‘Moeder de Allerhoogste’ is. Okonkwo moet het antwoord schuldig blijven. Uchendu legt uit dat ‘een man behoort tot zijn vaderland zolang alles goed gaat en het leven aangenaam is. Maar wanneer er verdriet en bitterheid is dan vindt hij een toevlucht in zijn moederland. Je moeder is daar om je te beschermen’. Hij wijst Okonkwo op zijn plicht op zijn beurt zijn vrouwen en kinderen te troosten, zichzelf toe te spreken en bij elkaar te vegen: ‘Jij denkt dat je het meest te lijden hebt van de hele wereld. Weet je dat sommige mensen levenslang verbannen worden? Weet je dat sommige mensen al hun maniok en zelfs hun kinderen verliezen? Weet je hoeveel kinderen ik begraven heb? Als jij denkt dat je het meest van iedereen lijdt, vraag dan eens aan mijn dochter, Akueni, hoeveel tweelingen ze gebaard en weggegooid heeft. Heb je het lied niet gehoord dat ze zingen als een vrouw sterft? „Voor wie is dit goed, voor wie is dit goed? Dit is goed voor niemand.” Verder heb ik je niets meer te zeggen.’

Hoe Okonkwo op deze rede van zijn oom reageert beschrijft Achebe niet. Maar dat deze passage ook nog vijftig jaar na dato lezers aanspreekt, steunt, troost en ertoe brengt de auteur een brief te schrijven, bewijst dat de roman niet alleen een hele nieuwe generatie van schrijvers, uit Afrika en van elders, de weg heeft gewezen, maar dat hij ook de wereldburger van nu nog veel te zeggen heeft.

Reageer op dit stuk of deel uw leeservaring op nrcboeken.nl/leesclub. Volgende week Elsbeth Etty over Achebe.