500 volop vervoerende verzen

Er spreekt een voorkeur voor het zwalperige uit ‘De canon van de Europese poëzie’, een van de vijf prestigieuze bloemlezingen die net zijn verschenen. Maar er is ook plaats voor singer-songwriters, zoals Sappho en Brel.

Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries (sam.): De canon van de Europese poëzie. 500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben. Meulenhoff. 768 blz. € 19,95. Een gebonden, meertalige editie van 1552 blz. volgt op 26 januari en zal € 79,95 kosten.

Denk ik aan Ezra Pound, dan denk ik aan lange moeilijke gedichten. Aan zijn Pisaanse Canto’s. Los onder elkaar gezette regels, zonder rijm of structuur, vol citaten en geleerde toespelingen op andere literatuur, uit allerlei tijden en talen. Steevast voorzien van lappen commentaar, vaak nog langer dan de canto’s zelf, om de onbelezen lezer nog een beetje tegemoet te komen. Pound kwam uit Amerika, maar woonde en werkte het grootste deel van zijn leven in Europa. Je zou hem om al die klassieke citaten en toespelingen een bij uitstek moderne Europese dichter kunnen noemen. En je zou hem dan ook verwachten in De canon van de Europese poëzie, de bloemlezing van vijfhonderd Europese gedichten die iedereen volgens Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries gelezen zou moeten hebben. Hij komt er ook inderdaad in voor, met een van die Pisaanse canto’s. De vierentachtigste, om precies te zijn: drieëneenhalve bladzijde lang, vol Engelse, Griekse en Italiaanse citaten, plus ook nog enkele Chinese karakters, alles helaas zonder enige toelichting. Het staat wel goed, en bijster intellectueel, zo’n canto vol cultureel verantwoorde samples, maar ik kan er geen chocola van maken.

Het zou me moeten ergeren, maar dat doet het toch niet, omdat in dezelfde bloemlezing nog een ander gedicht van Pound voorkomt. Het heet ‘Oude muziek’ en het is speciaal voor deze bloemlezing vertaald, door Gert Jan de Vries. Net als bij Pound moet die vertaling als een middeleeuws volksliedje klinken, en daarom is ook hier een quasi middeleeuwse spelling gebruikt:

Die winter is ghecoomen,

Goddomme, sing nu luyt,

Rhegen drupt in vollen grup,

Die storm cleedt ons uyt.

Sing: Goddom!

Weeghen glad en busje spat,

’t Ghebeente groeyt my krom,

Rivier bevriest, stedeling niest,

Verdomme, singh goddom.

En zo gaat het nog een paar regels door, vol gevloek over het invallen van die ellendig natte en koude winter. Daar is geen voetnoot of toelichting bij nodig.

Het geval Pound is een aardig voorbeeld van de vrijheid die Pfeijffer en De Vries zich bij het samenstellen van hun canon hebben gegeven. Nog een voorbeeld. Het is een gedicht over een jongen. Elke ochtend, om kwart over zeven, begeeft hij zich naar de dierentuin in Amsterdam om daar een giraf een suikerklontje te gaan geven. Daartoe moet hij op een trap gaan staan. Hij maakt dan van de gelegenheid gebruik om wat met zijn grote lievelingsdier te babbelen, over van alles en nog wat: ‘’k Moet je nog veel meer vertellen: / ik kan al drie letters spellen: / a b c, is dat niet knap? / Ik kan ook al bijna rekenen! / Ik kan mooie poppetjes tekenen!’ Het is een ontroerend gegeven. Het dier is zo aardig om de jongen, als hij daarom vraagt, toe te staan zijn lange giraffenek als glijbaan te gebruiken. U kunt zelf misschien al wel raden hoe het met dit liedje afloopt. Het gaat helemaal goed, ‘met een vaart’, helemaal ‘tot aan ’t kwastje van de staart’, maar daarna moet de tekst toch de trieste afloop melden. Eerst ‘Boem!’ en dan ‘Au!!’

Misschien komt het gegeven u bekend voor. Behalve moeilijke en makkelijke verzen, en verzen van een Amerikaan, horen er volgens Pfeijffer en De Vries blijkbaar ook Nederlandse, en zelfs kinderverzen thuis in de Europese poëziecanon. Wat nog meer? Ik blader weer eens wat en stuit op een kort versje. Een geintje. Vier regels maar. Het heet ‘Praatje’:

Het leven is één prachtig liedjesfestijn,

een medley van virtuoosheden;

en liefde is eindeloos, feilloos en fijn;

en ik ben Silvia van Zweden.

Hier spreekt Dorothy Parker – en dus niet Silvia van Zweden. Dat betekent dat ook haar andere beweringen, over het altijd zo mooie leven en de altijd zo liefdevolle liefde, niet waar kunnen zijn, helaas. Een sarcastische levenswijsheid, ook speciaal voor dit boek vertaald door Gert Jan de Vries. Ik kende het al, in de vertaling van Ivo de Wijs, als ‘Mijn idee’:

Het leven is mooi en het leven is fijn

De wereld een lustoord van vrede

En liefde is trouw, zoals liefde moet zijn

En ik ben de Koning van Zweden.

Dit is zo’n moment waarop je wel even de oorspronkelijke tekst wil zien. In de paperbackversie (van twintig euro) is die niet opgenomen, in de voor januari geplande twee keer zo dikke gebonden versie (van tachtig euro) wel:

COMMENT

Oh, life is a glorious cycle of song,

A medley of extemporanea;

And love is a thing that can never go wrong;

And I am Marie of Roumania.

De Vries en Pfeijffer hebben voor hun canon dus niet alleen uit bestaande vertalingen geput. Ze hebben ook veel nieuwe vertalingen toegevoegd, van zichzelf en van anderen. Het opnemen van een versje van Dorothy Parker wijst er (na Ezra Pound) opnieuw op dat de samenstellers het begrip Europa erg ruim nemen. Hun canon begint, zoals wel te verwachten was, bij de Grieken. De grote namen: Homerus, Hesiodus, Alkman, Semonides, Sappho, en zo verder. Pas zeven eeuwen en vele bladzijden later melden zich de eerste Romeinen: Lucretius, Catullus, Horatius, Vergilius. Na nog weer eens zeven eeuwen en vele bladzijden bevinden we ons voor het eerst buiten Griekenland en Italië: in het Ierland van Llywarch Hen. En na nog weer eens vier eeuwen zijn we, rond het jaar 1000, in het Engeland van Beowulf en het IJsland van Egill Skallagrímsson. Daarna volgen Duitsland, Frankrijk, Rusland, Italië, Spanje, Nederland, België, en zo heel Europa. Naarmate het heden dichterbij komt, krijgt de Europese literaire traditie steeds meer vertakkingen, en verplaatst zij zich ook steeds meer buiten Europa: naar Noord-Amerika, Mexico, West-Indië, Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland en Australië.

Al die continenten en landen mogen hier meedoen, met een of meer (maar ook weer niet te veel) dichters. Dat is mooi, en ruimhartig, maar de begrenzing is toch ook wel wat willekeurig en wordt in het lollige voorwoord niet erg goed verdedigd. Waarom mocht de Bijbel eigenlijk niet meedoen? Er is weinig poëzie die zo veel invloed heeft gehad op de Europese poëzie. En de klassieke Arabische (en Perzische) dichters, die in de Middeleeuwen via Spanje doordrongen in de troubadourslyriek?

Daar staat tegenover dat hier ook heel veel gedichten zijn opgenomen waarvan de gemiddelde Europeaan nog nooit zal hebben gehoord. Ik noem de grote Albanese dichter Gjergj Fishta (1871-1940), van wie we meteen maar even een bijna vijf bladzijden tellend fragment uit zijn grote epos De lahuta uit de bergen krijgen voorgeschoteld. Een gedicht van vier bladzijden van de tot nu toe bij mij nog niet bekende Griek Nikos Gatsos (1911-1992). En een net zo lang gedicht van de Roemeen Alexandru Musina (1954). Een lekker fragment van vijf bladzijden uit de zestiende rune van de Finse ‘Kalevala’.

Het lijkt wel alsof Pfeijffer en De Vries hun correspondenten in de Europese buitengewesten hebben gevraagd om vooral lange, brede, zoveel mogelijk bijna van de bladspiegel aflopende, inhoudelijk een beetje zwalperige en volop vervoerende verzen te vertalen en in te sturen, dus niet van dat benauwde. Obelix-poëzie. Het gemiddelde gedicht in deze bloemlezing heeft een lengte van anderhalve bladzijde. Dat geldt voor de relatief onbekende dichters, maar ook voor de bekendere. Jevtoesjenko, Majakovski, Hölderlin, Joyce, Ginsberg: er is hier veel aandacht voor de meer roezige, grillige, surrealistische onderstroom in de Europese poëzie.

Intussen zijn alle grote namen die je zou verwachten ook gewoon opgenomen, en de meesten met het maximale aantal van drie gedichten, zoals Goethe, Dante, Eliot, Poesjkin, Kavafis, Dickinson, Shakespeare. Bij de toppers zitten geen Vlamingen, wel twee Nederlanders: Vondel en Lucebert. Pfeijffer en De Vries geven in hun voorwoord toe dat de Nederlanders (ruim veertig) en de Vlamingen (meer dan tien) oververtegenwoordigd zijn, maar zo te zien hadden ze ook weer niet veel zin om daar al te moeilijk over te gaan doen. (‘Zo. De vorige alinea was wel een heel knappe poging om het allemaal een beetje objectief te laten lijken, al zeggen we het zelf.’) Veel verrassingen bevat hun keus uit de Nederlandse poëzie niet. Waarom kiest iedereen van J.H. Leopold altijd maar weer dat lijzige ding over die peppels die om mijn oud woonhuis staan? En van Beets de moerbeitoppen? En van Hendrik de Vries altijd maar weer ‘Mijn broer’?

Dan is ‘Dikkertje Dap’ van Annie M.G. Schmidt veel verrassender. En ‘Kinderballade’ van Gerrit Komrij! Dat is de liedtekst die Komrij in 1976 schreef voor Boudewijn de Groot. Her en der hebben Pfeijffer en De Vries ook nog geprobeerd wat extra aandacht te schenken aan het lied in de geschiedenis van de Europese poëzie. Sappho was, zo zeggen ze in hun voorwoord, een singer-songwriter. De middeleeuwse troubadours waren dat ook, op hun manier. Sinds Pfeijffer zelf liedteksten schrijft (voor Ellen ten Damme), heeft hij de smaak van de lyrics blijkbaar te pakken.

En zo kan het gebeuren dat hier tussen Seamus Heaney en Neeltje Maria Min, Joseph Brodsky en F. Harmsen van Beek opeens de naam van de Engelse dichter Keith Reid opduikt, geboren in 1947. Hij komt ons, in de vertaling van Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, vertellen over ‘geen poppendans fandango / ons rad sloeg heen en weer / daarvan werd ik bijna zeeziek / maar de mensen wilden meer.’ Een goede verstaander heeft er vast al ‘A Whiter Shade Of Pale’ in herkend, de broeierige wereldhit uit de jaren zestig van Procol Harum. De tekst is onsamenhangend en onbegrijpelijk. ‘En zo stond even later / Chaucers timmerman te kijk / Zij die eerst nog op een spook leek / Zag toen bleker dan een lijk.’ Laten we het maar surrealisme noemen.

Dat soort liedjes, hoe beroemd ook, en hoe canoniek daarom misschien ook, kan niet in de schaduw staan van de liedteksten van Bob Dylan en Jacques Brel en Fabrizio De André, hier ook opgenomen. Of van de vele middeleeuwse troubadoursliederen, die we hier ook terugvinden. Of van die van Sappho, of haar collega singer-songwriter Homerus (en dan vooral de nummers ‘Ilias’ en ‘Odyssee’, in de unplugged uitvoering).

Daarom weet ik nog steeds niet zo goed wat ik van deze enorm dikke Canon van de Europese poëzie moet vinden. Er zit een gymnasiale kant aan, en een volkse kant: de intertekstuele canto’s van Pound, en daarnaast het gevloek van diezelfde Pound. De verantwoording is theoretisch niet sterk, en de keuze is niet erg consequent, maar de praktijk verveelt geen moment. Er staan nette sonnetten van Petrarca naast fladderige flowerpower-liedjes van The Beatles. Afgezaagde klassiekers naast nieuwe vondsten uit de vreemdste uithoeken van Europa. Stijve vertalingen naast levendige verse vertalingen. De grootste gemene deler naast een heel eigen smaak. Enorme lappen tekst, waar ik moe van word, naast kleine verzen.

Nog eentje dan. Dit is er een van Olav H. Hauge. Noors dichter, leefde van 1908 tot 1994. Nooit van gehoord, nooit iets van gelezen. Hij is in deze canon opgenomen met maar zes regels. Ik vind ze erg mooi. Ze werden voor deze bloemlezing vertaald, door Bart Kraamer. Het is een wonder dat ze niet gesneuveld zijn te midden van al die andere, veel langere en veel luidere verzen uit Europa en de rest van de wereld:

Kom niet met de hele waarheid,

kom niet met de zee voor mijn dorst,

kom niet met de hemel als ik om licht vraag,

maar kom met een glimp, met dauw, met een flinter,

zoals vogels druppels meedragen van hun bad

en de wind een korrel zout.