Staat en heilige koe

Waar ligt de scheidslijn tussen kredietcrisis en recessie? Dat is de vraag die de Westerse regeringen moeten beantwoorden. Nadat steeds meer banken en verzekeraars aanspraak hebben gemaakt op staatssteun en overheidsgaranties, kloppen nu instellingen aan die eigenlijk ook als bank opereren. In Nederland bijvoorbeeld Leaseplan, dat voor de helft eigendom is van Volkswagen.

Maar het is een bredere trend. Zowel in Europa als in de VS vraagt de automobielindustrie om staatssteun, nu de bodem onder de automarkt is weggevallen. De verkopen zijn soms tientallen procenten gedaald.

De financiële problemen van de sector worden ten dele veroorzaakt door dreigende liquiditeittekorten. De kapitaalmarkt, waar de autobedrijven tot een jaar geleden probleemloos terecht konden voor hun financiering, komt slechts zeer moeizaam weer op gang. Deze stagnatie is vooral technisch van aard en vloeit voort uit de kredietcrisis. Tijdelijke steun van overheden op dit vlak is te rechtvaardigen: het zou onverteerbaar zijn als gezonde bedrijven in de problemen komen door het disfunctioneren van de financiële sector.

Maar hier doorheen speelt de economische recessie zelf. Perioden van lage groei of recessie zijn normaal. Die cyclus draagt bij tot herschikking, hervorming en vernieuwing. Sommige activiteiten verdwijnen dan om plaats te maken voor nieuwe, innovatieve bedrijvigheid.

In dit licht leidt de omgerekend 20 miljard euro steun, die nu door het drietal General Motors, Ford en Chrysler in de VS wordt gevraagd, dan ook tot een elementair debat. Hetzelfde geldt voor de positie van Opel in Duitsland. Want het mag niet zo zijn dat de overheid de onvermijdelijke en noodzakelijke hervormingen voorkomt of uitstelt met financiële steun.

In Nederland speelt een vergelijkbaar dilemma. Veel bedrijven geven aan gebruik te willen maken van de sociale fondsen om arbeidstijdverkorting van hun personeel te financieren. Uitzonderlijke omstandigheden, veroorzaakt door de kredietcrisis, kunnen deze steun rechtvaardigen. Maar er is een kans dat het geld juist de herstructurering van de bedrijven remt die hen klaarmaakt voor de toekomst.

Zo wordt tijdelijke en goedbedoelde staatssteun al snel een vorm van industriepolitiek. De ervaringen daarmee uit eerdere recessies, begin jaren tachtig en begin jaren negentig, zijn niet gunstig. De overheid is niet in staat om te kiezen welke bedrijfstakken moeten overleven of niet. Dat doet de markt veel beter. Bovendien is steun aan één bedrijfstak al snel een aanbeveling voor andere sectoren om eveneens een beroep op de overheid te doen. Om maar te zwijgen van de internationale concurrentieverstoring die nationale steunprogramma’s teweeg kunnen brengen.

Grote terughoudendheid van de staat is dus geboden. De overheden hebben bij de kredietcrisis bewezen goed op te kunnen treden in tijden van nood. Maar het managen van een economische recessie is iets heel anders.