Requiem voor Ludo P.

Vandaag drie weken geleden overleed in Rhoon, bijna zestig jaar zijn woonplaats, mr. L.J. Pieters, Ludo voor familie en vrienden. Hij was een vooraanstaande Rotterdamse ondernemer, maar had ook kanten die gemeenlijk niet direct met het ondernemerschap geassocieerd worden. Er zijn minderen dan hij na hun overlijden in de krant herdacht. Vandaar dit In Memoriam.

Ludo groeide op in het Rotterdamse Scheepvaartkwartier: Westerkade, Javastraat, Calandstraat en Parklaan, gespaard door het bombardement van 14 mei 1940. Zijn ouderlijk huis stond aan de Javastraat, een „rattenvalgelijke straat”, zoals een dichter eens schreef, maar aan de achterzijde (of was dat de voorzijde?) met grandioos uitzicht op de Maas, „daar waar het water zich het breedst vertoont”.

Hij was bestemd zijn vader als firmant in het reders- en cargadoorsbedrijf Hudig & Pieters op te volgen, maar tijdens zijn studie ontstond bij hem de behoefte aan een internationale loopbaan. Het onderwerp van zijn proefschrift in 1946, Internationale sancties 1914-1946, wees daarop.

Maar na een paar jaar advocatuur zwichtte hij voor zijn vaders aandrang, en dat was het begin van een lange carrière in de Rotterdamse haven, eindigend met het voorzitterschap van de Scheepvaartvereniging Zuid, de belangenorganisatie van Rotterdamse havenondernemers. Zijn firma zelf ging in 1972 op in het concern Internatio-Müller.

Tegelijkertijd was hij lid van de Rotterdamse Kamer van Koophandel, van het dagelijks bestuur van de VNO, van de SER en van de Rijnmondraad. Dit laatste was hij voor de PvdA, waarvan hij al vroeg lid was geworden en die hij, ondanks alle zwenkingen van de partij, trouw is gebleven. Hieruit blijkt alleen al dat Ludo meer dan een gewone zakenman was.

Op zichzelf zou dit leven al een vermelding in de pers waard zijn geweest, maar het zijn vooral de afwijkingen van dit patroon die Ludo interessant maakten. Die kant van hem bleek al in zijn Leidse studententijd. Daar heb ik hem leren kennen, zij het dat het corps, waarvan wij beiden lid waren, al in december 1940 door de Duitse bezetter verboden werd.

Maar de redactie van het weekblad van het corps, de Virtus, bleef samenkomen en produceerde tussen 1941 en 1944 zelfs zestien nummers, die, gestencild, in kleine kring circuleerden. Een clandestien tijdschrift dus, maar geen verzetsblad – dat was niet de ambitie van de groep, die eens in de paar maanden bijeenkwam. Voor velen onzer was dit een vormende ervaring.

Ludo produceerde heel veel voor dit blad, vooral gedichten, waarin de invloed van Slauerhoff herkenbaar is, maar ook essays. Na de oorlog zijn ze in twee bundels uitgegeven. Een ervan is, zo ontdekte ik onlangs tot mijn verrassing, aan mij opgedragen, wat erop wijst dat ik ook tot die vorming moet hebben bijgedragen.

Dat kan dan niet door gedichten zijn geweest, want door mijn dichtader vloeide zelden iets, maar door de lange correspondentie die ik die jaren met Ludo voerde, meestal over levensbeschouwelijke vragen, nogal hoogdravend, vrees ik, maar we hadden beiden nog lang de dertig niet bereikt.

De Virtus was, ik zei het al, geen verzetsblad. Dat betekende niet dat sommigen onzer wél de bezetter naar vermogen probeerden te schaden. Zo ook Ludo, die het inlichtingenwerk van zijn door de Duitsers gefusilleerde stads- en oud-Virtusgenoot Cees Dutilh, voortzette. Dat wisten we natuurlijk niet, en ook later was Ludo daar zeer zwijgzaam over.

Ludo was überhaupt een eer zwijgzame dan uitbundige man, maar dat sloot niet uit dat hij veel van feesten hield. Vele ervan werden in het huis gehouden dat hij en zijn vrouw al kort na de oorlog in Rhoon hadden laten bouwen. Vooral de mooie tuin, hun schepping, leende zich daar prachtig voor. Hier ontmoetten elkaar Rotterdammers, oude Leidse vrienden en menig kunstenaar.

Want Ludo was intussen ook de spil geworden van het culturele leven van Rotterdam. Hij was voorzitter van de Rotterdamsche Kunstkring, die aan de Witte de Withstraat concerten en tentoonstellingen organiseerde. Als voorzitter van de Rotterdamse Kunststichting stond hij aan de wieg van Poetry International, dat nog jaarlijks wordt gehouden. Daarnaast ondersteunde hij schrijvers en richtte hij met dit doel een speciaal fonds op.

Een van die schrijvers was Gerard Reve, die een huisvriend werd en van wie in 1986 zijn Brieven aan Ludo P. verscheen. Maar Reve slaagde erin ook met de vreedzame Ludo ruzie te maken. Het kan ook zijn dat Reves voortdurende gehoon over zijn PvdA’ erschap Ludo op den duur begon te ergeren. Maar toen Reves vriend Joop hun vroeg Reve, die toen geestelijk al flink afgetakeld was, nog eens te komen bezoeken in het Vlaamse Machelen, deden Ludo en zijn vrouw dat. Ook hier bleek zijn trouw.

Intussen was Ludo blijven publiceren, nu vooral romans en verhalen. Geen van hen haalde de toptien, maar op z’n minst getuigen zij van zijn enorme werkkracht en -discipline. Op latere leeftijd wierp hij zich ook nog eens op het Chinees en knoopte hij vriendschap aan met een Chinese dichter. Was die een reïncarnatie van ‘De Chinese dichter’, van wie hij, 21 jaar oud, in een gedicht had gezongen: „Li Pei zat aan den voet van zijn verlangen en zag zijn verzen om de bergen hangen”?

Een ook voor zijn vrienden verrassende kant toonde Ludo, eveneens op latere leeftijd, met zijn geloof, waarvan hij in een rede in de Laurenskerk getuigde. Maakte zich hier de invloed merkbaar van zijn schoonvader, Leids hoogleraar in de kerkgeschiedenis, die, naar het woord dat een van zijn dochters in de uitvaardienst in de Rhoonse kerk sprak, veel voor hem betekend had?

Hoe passen al die facetten van Ludo – waartoe ook nog zijn liefde voor de jacht behoorde – in elkaar? Zijn vrienden, voor zover nog in leven, weten dat nog steeds niet. Wat dat betreft, is Ludo voor velen toch een gesloten boek gebleven. Maar dat hij een begaafd en veelzijdig man was, die veel op velerlei gebied heeft bevorderd en tot stand gebracht – dat is zeker.

Reageren kan via nrc.nl/heldring. Of mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl