Nog één keer: het zijn geen Marokkanen

Zelfs Job Cohen spreekt inmiddels op z’n Janmaats over ‘Marokkanen’. Hoezo? Het zijn Marokkaanse Nederlanders. Obama is toch ook geen Afrikaan?, aldus Jan Kuitenbrouwer.

Volgens oud-minister Ella Vogelaar (PvdA) begrijpt PvdA-leider Wouter Bos niet dat „zolang de elite blijft praten in termen van dé Marokkanen, dé Turken en dé Antillianen, migranten zich moeilijk kunnen identificeren met Nederland” (NRC Handelsblad, 17 november). Net als in Amerika, vindt Vogelaar, „moet eerst de dubbele binding van nieuwkomers erkend worden door consequent te spreken van Marokkaanse, Turkse en Antilliaanse Nederlanders”.

De discussie over hoe je mensen die niet in Nederland geboren zijn en hun nakomelingen moet noemen, is zo’n politiek eksteroog dat periodiek aan de orde wordt gesteld, kennelijk nooit bevredigend wordt opgelost, zodat hij na een tijdje opnieuw de kop opsteekt.

We zijn altijd erg goed geweest in het verzinnen van termen die tegemoet kwamen aan de wensen van de tijd. Vluchtelingen uit Indonesië waren welkom en werden dus ‘repatrianten’ genoemd, al was dat ‘re-’ voor menigeen niet van toepassing. Surinamers en Antillianen waren ook welkom, in geringe aantallen althans, en kregen dus het epitheton ‘rijksgenoot’. Later werd die term, met name door toedoen van De Telegraaf, een eufemisme voor ‘kleurling’. De repatrianten werden op een gegeven moment omgedoopt tot ‘Indische Nederlander’ – iets om even te onthouden.

Toen kwamen de buitenlandse arbeidskrachten, de ‘gastarbeiders’, een term waarmee niet iedereen gelukkig was, zodat de socioloog Wentholt voorstelde voortaan te spreken van ‘internationale forensen’ – alsof ze ’s avonds uit het werk gewoon weer met de bus teruggingen naar Marokko. Vervolgens kregen we nog ‘migranten’, ‘ethische minderheden’ , ‘medelanders’, ‘nieuwe Nederlanders’, enfin, de reeks is bekend. Het meest succesvol was ‘allochtoon’, een verzinsel van sociologe Hilda Verwey-Jonker, die in 1971 een rapport geschreven had, getiteld ‘Immigranten in Nederland’, dat door het betrokken ministerie ongewijzigd werd overgenomen, op de titel na. Het naoorlogse Nederland was immers een e-migratieland, geen im-migratieland, dit omdat de elite toen van mening was dat Nederland ‘vol’ was, een notie waar je dertig jaar later om voor de rechter gesleept werd, zoals politicus Hans Janmaat mocht ervaren. Dus juist omdat de meest passende aanduiding voor iemand die zich in een ander land vestigt, – ‘immigrant’ – taboe was, ontstond die wildgroei aan malle fantasietermen. Aangezien Nederland zich in elk geval de facto inmiddels wel meer als een immigratieland is gaan gedragen, is er alle reden om aan dat taalkundige schimmenspel een einde te maken en voortaan gewoon van ‘immigranten’ te spreken.

Daarnaast speelde een ander taboe: dat op etnisch onderscheid. Nog tot halverwege de jaren negentig weigerden Nederlandse kwaliteitskranten de etnische achtergrond te melden van verdachten en daders van misdrijven. Na een fase waarin halfhartig werd gerept van ‘de in Istanbul geboren X’ of de ‘vermoedelijk in zijn geboortestad Casablanca verblijvende Y’, zetten de media dit taboe uiteindelijk overboord. Argument: voor het begrip van bepaalde delicten en incidenten is nationale en/of etnische achtergrond van belang.

Terug naar de immigranten. Mijn moeder was er een. Een Schotse. Zij trouwde na de Tweede Wereldoorlog met een Nederlandse militair en kwam in 1948 hierheen. Als zij door Nederlanders in haar omgeving werd aangeduid als ‘die Schotse’, maakte haar dat niets uit. ‘Schots’ heeft in het Nederlands taalgebruik geen pejoratieve bijklank. Haar landsaard werd alleen voor het gemak gebruikt, zoals je ook zegt: ‘die met die dikke bril’. Was er echter op dat moment in Nederland een minderheid geweest van opgeschoten Schotse jochies die buurten onveilig maakten, en ambulancepersoneel molesteerden, dan had mijn moeder het waarschijnlijk niet leuk gevonden om ‘die Schotse’ te worden genoemd. Uit schaamte voor haar ontspoorde landgenoten, en omdat zij als aangepaste, wetsvrezende Nederlandse niet voor hooligan wilde worden aangezien.

Zo vergaat het de bonafide ‘Marokkanen’ op dit moment in Nederland: een kleine groep ontspoorden die géén Nederlander willen zijn, maakt het een grote groep welwillenden onmogelijk om wél Nederlander te zijn. En wij, ‘autochtonen’, hebben het al net zo moeilijk. Iemand als burgemeester Cohen (PvdA) was jarenlang de typische exponent van het softe multiculturalisme – de boel bij elkaar houden enzo – tegenwoordig spreekt hij onbekommerd op z’n Janmaats van ‘de Marokkanen’, zoals Ella Vogelaar terecht opmerkt. Tegen Janmaat was het: hij zegt het, dús hij is fout, nu is het: ik zeg het, máár ik ben goed.

Om discussies waarin de afkomst van immigranten een rol speelt zuiver en zakelijk te houden, hebben de Amerikanen een jaar of tien geleden definitief gekozen voor een neutrale, dubbele aanduiding; je hebt Native Americans, Asian Americans, African Americans, Mexican Americans, enzovoorts. Dat is politiek correct, maar dan in de oorspronkelijke, positieve, zin des woords: neutraal, zakelijk en zuiver. En: eerbaar.

Wat Job Cohen laatst deed bij Pauw & Witteman, met nadruk een paar keer hardop zeggen dat het ‘Marokkanen’ zijn die ambulancepersoneel molesteren, zou hem in de VS z’n baan gekost hebben. Dat is net zoiets als zeggen dat Barack Obama een ‘Afrikaan’ is. Nee, hij is een Afrikaanse Amerikaan. Punt. Laten wij eindelijk eens een eind maken aan die taalkundige maskerade rond afkomst en achtergrond: Ali B. én Mohammed B., het zijn ‘Marokkaanse Nederlanders’. En hun ouders waren ‘immigranten’.

Jan Kuitenbrouwer is columnist en directeur-geneesheer van de Taalkliniek, een bureau om klanten leren te zeggen wat ze echt bedoelen.