Meest poëtische van alle honkbalworpen

Eerste Japanse vrouwelijke profspeler (16) gooit haar hele leven al ‘toverballen’.

Knuckleballers zijn de linksbuitens van het honkbal.

Een goed geworpen knuckleball fladdert als een vlinder op de slagman af. Een perfecte knuckleball dwarrelt als een vallend herfstblad over de plaat. Hij doet slagmannen ‘naar lucht happen’: ze slaan naar een honkbal met een uiterst grillig traject en missen dus vaak. De knuckleball, het wapen van de zestienjarige vrouwelijke pitcher Eri Yoshida uit Japan, geldt als de meest poëtische van alle honkbalworpen.

Knuckleballers zijn de linksbuitens van het honkbal: excentriekelingen die in de band of brothers die een honkbalteam is er niet helemaal bijhoren. De doorsnee pitcher gooit de bal zo hard mogelijk langs de slagman. De knuckleballer vertrouwt op zijn gevoel. Door de specifieke greep waarmee hij de bal gooit – met alleen de wijsvinger over de bal plus de knokkels van de ring- en middelvinger er tegenaan drukkend – krijgt de bal vooral beweging in plaats van vaart. In een sport die het van kracht moet hebben, zowel bij het gooien als het slaan, fopt de knuckleballer zijn tegenstander met toverballen.

Makkelijk is het werpen van deze bal niet. Het vereist veel training om hem naar de plaat ‘te laten dansen’. Maar hoe goed je deze techniek in theorie ook beheerst, het is voor werpers die afhankelijk zijn van deze worp elke keer weer afwachten of hun worp ook werkt. Meer dan andere pitchers hopen knuckleballers op het juiste gevoel. Missen ze dat, dan is er geen beginnen aan. Hun ballen zeilen dan traag en in een vrijwel rechte lijn naar de slagmannen, voor wie ze een makkelijke prooi zijn. Vandaar dat knuckleballers, meer dan andere werpers, bijna altijd heel kort (één of twee innings) of juist lang (zes of zeven innings) op de werpheuvel staan. Hun geworpen ballen zijn gemakkelijk of vrijwel niet te raken.

Yoshida heeft de kunst afgekeken van Tim Wakefield van de Boston Red Sox. Hij is dé specialist, een man die altijd knuckleballer is geweest. Bekende voorgangers van Wakefield waren de broers Phil en Joe Niekro. Beiden waren van de jaren zestig tot en met de late jaren tachtig actief. Phil, die onder meer voor de Atlanta Braves en de New York Yankees wierp, was met 318 overwinningen zelfs de beste knuckleball-werper aller tijden.

Phil Niekro was de beste, maar niet de beroemdste. Die eer gaat naar Jim Bouton, wiens boek Ball Four (1970) tot de mooiste – en nog steeds goed verkopende – sportboeken van Amerika wordt gerekend. Bouton had zich omgeschoold tot knuckleballer nadat zijn fastball aan kracht had ingeboet. Daarmee wist hij zijn loopbaan als profhonkballer enkele jaren te rekken. Een natuurlijke knuckleballer was hij dus niet, en dat deelt hij de lezer in vele hartverscheurende pagina’s mee. Knuckleball to the rescue – help mij, knuckleball – was de kreet waarmee hij zichzelf moed inpraatte als hij, altijd als invaller, door de trainer naar de werpheuvel werd gedirigeerd. Zijn ellenlange oefeningen vóór de wedstrijd om in het juiste ritme te komen, vormen een blijvend testament aan zijn haat-liefde-verhouding met deze worp.

Yoshida, de eerste vrouwelijk profspeler in Japan, ondervindt daar vanzelfsprekend geen hinder van. Ze is pas zestien en heeft in haar korte honkballeven alleen maar knuckleballs geworpen. Ze zal, in tegenstelling tot Bouton, geen last hebben van faalangst. Voorlopig is ze alleen in Japan aan het werk te zien. Maar een giftige knuckleball is van grote waarde. Wellicht ligt haar toekomst daarom in de Amerikaanse Major Leagues.