Levitt zag kinderdromen als zeepbellen

Tentoonstelling Helen Levitt: In the Street. T/m 18 jan 2009 in Foam, Amsterdam. Open: dag 10-18 uur, don vrij tot 21 Info: 020- 5516500 of foam.nl ****

In een nis op de eerste verdieping van het Amsterdamse fotomuseum FOAM hangen zestig foto’s. Een enkeling zit alleen in een lijstje, maar vaker zijn het er twee, vijf, zes. Zelfs elf blijken er in te passen. Groter dan kiekjes zijn ze niet. De foto’s zijn in de late jaren dertig en vroege jaren veertig van de vorige eeuw gemaakt door Helen Levitt, op straat in New York, van mannen, vrouwen en vooral kinderen. Het is haar vroegste werk.

Er zijn nog minstens zoveel foto’s te zien, van later datum en ook nog eens groter. Maar het had gerust bij die kleintjes kunnen blijven. Want Levitt (1913) maakte dan nadien nog menige en soms mooiere foto, wezenlijk veranderen zal er nauwelijks nog iets. Terloopse taferelen maakte ze en bleef ze maken. Foto’s van dingen die thuishoren in een ooghoek: een gebaar, een oogopslag, een gebeurtenis die al voorbij lijkt voor ie goed en wel begonnen is. Alleen kleur kwam er aan het einde van de jaren vijftig nog bij. Het zou haar nopen een nieuwe zuinigheid te zoeken omdat kleuren de gefotografeerde wereld nu eenmaal van veel ruis voorzien. Echt geslaagd is ze in die zoektocht nooit; zwart-wit paste haar beter.

Levitt zag kinderen vanaf het trottoir peinzend naar de zeepbellen kijken die over straat voorbij zweven. Een uit een kelderluik opduikend hoofd met een verrekijker. Een man in hemdsmouwen, als een goochelaar in de weer met drie vuilnisdeksels. Een jongen in een haveloze broek op de laadklep van een niet minder haveloos vrachtautootje. Lichtvoetig zou je het kunnen noemen. Ware het niet dat zoiets nét te luchtig is voor de symboliek die Levitt telkens door die foto’s heen laat schemeren; kinderdromen als zeepbellen, de bevrijding door de humor, de krassen van het leven.

Al blijft het meer een kwestie van ondertoon dan van vlagvertoon, meer poëzie dan proza. Wat wellicht verklaart waarom ze nooit een ‘grote naam’ geworden is, ondanks een bijna zestig jaar omspannende loopbaan. Terwijl haar actiefste jaren samenvielen met de gouden jaren van de humanistische traditie, waarbinnen ze beslist thuishoort, ondanks het gemis aan een verhaal en de tijdgebondenheid van haar foto’s.

Levitts voornaamste wapen was geduld. Het laat zich al aflezen aan die vier, zes, elf in één lijst verpakte foto’s. Hetzelfde tafereel telkens een fractie van een seconde later nog eens vastgelegd zodat je ziet hoe een hand of een blik het beeld een andere wending geeft. Een ander tafereel, maar dan langzaam inzoomend op het plompe meisje dat al spelend en grimassend een (speelgoed?)pistool op haar eigen slaap zet. Vingeroefeningen zijn het, net als het reeksje foto’s dat ze maakte van kinderen spelend met een gymnastieklint maar die eigenlijk gaan de duizend en een manieren waarop volwassen voorbijgangers aan dat lint proberen te ontsnappen: lopend, kruipend, bukkend – net als kinderen.

Nadien maakt ze een definitieve keuze uit die reeksen en drukt die groter af. Een deel van die foto’s is te zien in de andere zalen die de expositie beslaat. Je kunt heen en weer wandelen om vast te stellen dat je het lang niet altijd met haar eens denkt te zijn en hoe je stapvoets toch op kunt schuiven naar haar keuze.

Dat je met zoveel geduld en in een klein stukje wereld (Levitt fotografeerde zelden buiten New York) geen hemelschokkend oeuvre maakt, spreekt voor zich. Dat haar foto’s soms iets triviaals kunnen hebben of een toch wat al te openlijke ‘clou’ (moeder duikt in kinderwagen waaruit zich breed grijnzende tronie van kind verheft) eveneens. Wonderen laten zich nu eenmaal niet afdwingen.

Maar even later heeft ze er toch weer een te pakken. Dan ligt er ineens een man op straat met een hand aan zijn oor, en naast hem staat een ander, voorovergebogen, ene hand verstopt in zijn jasje, de ander in zijn knieholte. Dronken uit de kroeg gestruikeld? Ruzie gehad? Botsing? Slappe lach? Er is geen gezicht te zien op de foto en dan blijft er steevast veel te raden over. Ze zag het in 1942 en ook na al die jaren kan ie nog altijd makkelijk in de top tien van raadselachtigste foto’s aller tijden.