Hoeveel doden vallen er door vallende kokosnoten?

Kokosnoten komen behoorlijk hard neer als ze vallen, ontdekten Corien Kuiper en Jan-Willem Dik tijdens een vakantie onder de Ghanese palmen. Hoeveel slachtoffers maken die noten eigenlijk?

Wereldwijd staan jaarlijks 150 mensen op het verkeerde moment onder de verkeerde boom. En daarmee zijn kokosnoten vijftien keer zo dodelijk als haaien, zei de Amerikaanse vissenonderzoeker George Burgess in 2002. Een lekkere soundbite, maar Burgess’ bron was wat discutabel: een Brits reisverzekeringsbureau dat volledige dekking van kokosnootongevallen aanbood.

Betrouwbaarder is Peter Barss, hoogleraar letselpreventie aan de universiteit van Queensland in Australië. In 1984 publiceerde hij het korte artikel Injuries due to Falling Coconuts, gebaseerd op vier jaar onderzoek in een ziekenhuis in Alotau, Nieuw-Guinea. Zeventien jaar later kreeg hij er in Cambridge alsnog een Ig Nobelprijs voor, een onderzoeksprijs met een knipoog.

„Palmbomen kunnen 35 meter hoog worden”, vertelt Barss telefonisch vanuit Queensland. „En een kokosnoot weegt 1 à 4 kilo, afhankelijk van het vruchtwater. Zo landt een kokosnoot van twee kilo van 25 meter hoogte met tachtig kilometer per uur. Dodelijk, dus.”

Negen van de in totaal 355 gewonden (2,5 procent) die Barss voorbij zag komen, waren getroffen door een kokosnoot – waarvan twee dodelijk. In een vergelijkbaar onderzoek uit de jaren negentig op de Solomoneilanden ging het om 3,4 procent. „Om hoeveel doden het per jaar en wereldwijd gaat, is niet te zeggen. Een groot deel van de incidenten gebeurt op afgelegen eilandjes.”

Vallende jackfruit is de enige andere fruitsoort die fataal kan zijn, voor zover Barss weet. Minder hard dan een kokosnoot, maar één vrucht kan tientallen kilo’s wegen. „Na die Ig Nobelprijs kreeg ik een brief van een Braziliaan. De moeder van zijn collega had een jackfruit op haar hoofd gekregen. Ze las een boek onder een boom en was op slag dood. In Cambridge kunnen ze dit soort onderzoek gek vinden; als het om je familie gaat, is het niet meer zo funny.”

Eppo König