'Grote Drie' uit Detroit vallen om zonder steun

De autofabrikanten in de VS houden hun hand op in Washington. Ze hebben minimaal 50 miljard dollar nodig om de moeilijke tijden door te komen.

Amerikaanse politici naderen een compromis over overheidssteun voor de noodlijdende Amerikaanse autobranche. Maar of er deze week inderdaad een reddingsfonds voor de automakers tot stand komt, blijft hoogst onzeker. Dat is de uitkomst van de getuigenissen die topmannen van de auto-industrie voor het Amerikaanse Congres aflegden.

Mede in reactie op de noodlijdende autosector en de verslechterende economie daalden de beurzen op Wall Street gisteren voor het eerst in vijf jaar door de psychologische grens van 8.000 punten. Het verlies van beursgraadmeter Dow-Jones kwam uit op 5 procent. Vanmorgen daalden ook de beurzen in Azië en Europa.

Zowel dinsdag als gisteren werden de topmannen van de drie grootste automakers van het land, General Motors (GM), Chrysler en Ford, door een commissie van het Huis van Afgevaardigden gehoord over de problemen van deze zogeheten ‘Grote Drie’ uit Detroit. GM en Chrysler zeiden het niet lang meer te redden zonder overheidssteun. Maar Democraten en Republikeinen zijn het niet eens of de bedrijven steun verdienen, hoe hoog die zou moeten zijn en waar dat geld vandaan zou moeten komen.

Sommige Democraten willen een deel van het Amerikaanse noodfonds van 700 miljard dollar beschikbaar stellen voor de autoproducenten. Zij menen dat de overheid niet alleen banken op Wall Street moet helpen, maar ook – via de autosector – de gewone Amerikanen. De totale auto-industrie is inclusief fabrieken, dealers en makers van onderdelen naar eigen zeggen goed voor bijna eentiende van alle banen in de VS.

Minister van Financiën Hank Paulson vindt echter dat het noodfonds niet bedoeld is voor autobedrijven. Ook een aantal Republikeinse partijgenoten is tegen directe overheidssteun voor de autobranche. Zij geloven in marktwerking en vinden dat de fabrikanten te weinig hebben gedaan om klanten te behouden. De drie bedrijven maken vooral auto’s die veel brandstof verbruiken. Veel Amerikanen zijn wegens de stijgende olieprijzen in de afgelopen jaren daarom overgestapt naar andere en goedkopere automerken.

Sinds daar enkele maanden geleden de kredietcrisis bij kwam, lijdt bijvoorbeeld GM miljarden dollars verlies per maand. Om de Amerikaanse automakers te steunen, stelde het Congres in oktober een fonds in van 25 miljard dollar voor de sector. De producenten mochten tegen een lage rente geld lenen van de federale overheid, op voorwaarde dat zij dit geld zouden investeren in de productie van milieuvriendelijker auto’s – het terrein waarop de Amerikaanse concerns achterblijven bij de concurrentie.

Sommige Republikeinen willen nu dat deze 25 miljard dollar zo snel mogelijk beschikbaar komt voor de autobranche. De autofabrikanten zelf zien daar liever nog 25 miljard dollar bovenop komen, om deze moeilijke tijd te kunnen overbruggen en daarna opnieuw te investeren. Zonder de financiële steun voorspellen zij dat de „sociale gevolgen catastrofaal zullen zijn”. Zichzelf bankroet verklaren is daarom geen optie, vinden ze.