EU zoekt gedeelde uitweg uit economische malaise

Als het aan de Europese Commissie ligt, gaan alle EU-landen 1 procent van hun bruto binnenlands product, in totaal 130 miljard euro, in de economie pompen.

Wie een afspraak wil maken met hoge Europese diplomaten en ambtenaren in Brussel, kan beter rond Kerst nog eens terugbellen. Vóór die tijd zijn ze te druk met het redden van de Europese economie. Allen slijpen de messen voor hét politieke gevecht van de komende weken: wie gaat er wat betalen?

Het finale duel vindt plaats op 11 en 12 december in Brussel, als de 27 regeringsleiders van de EU beslissen hoe het reddingsplan voor de Europese economie er uitziet. De Europese Commissie presenteert woensdag een voorstel voor dat plan. Gisteren werden de contouren daarvan bekend: alle EU-landen gaan binnenkort, tegelijk, 1 procent van hun bbp in economisch herstel steken. In totaal gaat het om 130 miljard euro aan fiscale stimuli, werkgelegenheidsprogramma’s op het gebied van infrastructuur en milieu, en dergelijke. Ieder land moet dat voor zich doen, nationaal. Er bestaan geen Europese belastingen; de kosten van deze gezamenlijke actie komen voor rekening van de nationale begrotingen. De Europese Commissie probeert wel miljarden aan hulpprojecten voor arme regio’s – vooral Oost-Europese – sneller ter plekke te krijgen. Dat komt van de Europese begroting.

Dit herstelplan heeft iets weg van het synchrone Europese reddingsplan voor banken uit oktober. Maar het is veel gecompliceerder. De cruciale vraag is niet alleen, zoals bij de banken: heeft zo’n plan het gewenste effect? De vraag is ook en veeleer: kan de EU snel en eendrachtig in actie komen?

„Elk land heeft zijn eigen economische prioriteiten”, zegt André Sapir, een vooraanstaand Belgisch econoom die maandag met twee collega’s suggesties voor een Europees herstelplan presenteerde, in de hoop dat de Commissie er wat mee doet. „Het probleem is ook dat sommige landen, zoals Duitsland, hun zaken fiscaal op orde hebben – en landen als Italië niet. Sommige hebben daardoor ruimte op de begroting voor een herstelplan. Andere niet.”

Dit, beaamt hij, is economisch en politiek „een catch 22”. Iedereen kijkt naar Duitsland, de motor van de Europese economie en een van de weinige landen die nog wat heeft uit te geven. Duitsland, vinden andere landen, moet daarom het voortouw nemen: als de Duitse economie aantrekt, kan het de anderen uit de recessie trekken. De gouverneur van de Oostenrijkse Centrale Bank suggereert vandaag in de Financial Times dat Duitsland genoeg ruimte heeft om niet 1, maar 2 procent van het bbp in herstelprogramma’s te steken. Maar Berlijn zit in een spagaat. De Duitsers zijn zuinig geweest toen het tij economisch meezat. Volgend jaar zijn er verkiezingen. Electoraal is het moeilijk te verkopen dat die reserves worden gebruikt om landen die minder verstandig waren, uit de puree te halen.

Vervolg Europa: pagina 17

Regels staatssteun wel soepeler, maar niet weg

Vervolg Europa van pagina 1

Bovendien zitten Duitse autofabrikanten in grote moeilijkheden. Berlijn wil hen helpen. Voor Duitse kiezers is dit belangrijker dan solidair zijn met, zeg, Griekenland. Maar de Europese Commissie heeft strenge regels voor staatssteun waar elk land zich aan moet houden. Bedrijven die overheidsgeld krijgen, hebben voordeel ten opzichte van (buitenlandse) bedrijven die dat niet krijgen – en met dit soort discriminatie kan de interne markt niet functioneren. De staatssteunregels zijn onlangs versoepeld zodat overheden de banken overeind kunnen houden.

Maar, zei eurocommissaris Neelie Kroes (Mededinging) gisteren: „Banken zijn geen autofabrieken.” Als banken omvallen, trekken ze de hele economie de afgrond in. Autofabrieken spelen die centrale rol niet. Als je die helpt, kun je daarna geen nee zeggen tegen andere industrietakken.

Binnen de Duitse coalitieregering nemen politici nu met het oog op de verkiezingen stelling vóór en tegen het Europese herstelplan. Maar ook binnen de Europese Commissie veroorzaakt het wrijving: anders dan Kroes steunt de Duitse eurocommissaris Günther Verheugen bondskanselier Merkel, die vindt dat staatssteun aan autofabrikanten moet kunnen.

Dit maakt Polen en Tsjechië weer razend: zíj moesten noodlijdende fabrieken sluiten om lid te worden van de EU. „Er wordt met twee maten gemeten”, zegt een Oost-Europese diplomaat. De recessie toont hoe moeilijk het te rijmen is: een Europese economie zonder Europese politiek.

Maar het grootste probleem moet nog komen: dat van de euro. Vijftien landen hebben deze munt nu. Aan dit exclusieve lidmaatschap zijn budgettaire eisen verbonden: het Stabiliteitspact. Cruciaal is dat eurolanden hun begrotingstekort binnen de perken houden. Hoe kan dat, als zij tegelijkertijd miljarden in de economie pompen? Alle Europese begrotingen worden al aangepast. De staatssteunregels en het Stabiliteitspact zijn de kurken waar de Europese integratie op drijft. Beide zitten nu in de gevarenzone.

Overal verschijnen euforische berichten over de stabiele euro, en dat de Denen en de IJslanders zo’n spijt hebben dat ze er niet aan meedoen. Maar de Tsjechen denken er het hunne van. Zij wilden in 2012 de euro invoeren. Die datum was heilig voor ze. Ineens hameren ze er niet meer op. Navraag leert dat men in Praag zoveel inbreuken op het Stabiliteitspact vreest, dat de euro tegen 2012 een zwakke munt is. Of zelfs niet meer bestaat. Alles hangt met alles samen, van herstelplan tot euro. Dus de Tsjechen wachten nog maar even af.