Deze jongens zijn fout

Na ‘9/11’ in 2001 zijn ook in Europa allerlei wetten tegen terreur aangenomen.

Die bestrijden vaak andere zaken dan terrorisme: burgerrechten komen in de knel.

Opeenvolgende antiterreurmaatregelen na de aanslagen van 11 september 2001 vormen een steeds grotere bedreiging voor de persvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en het publieke debat. Afwijkende opinies worden sindsdien steeds vaker als ‘staatsbedreigend’ beschouwd. Europese wetgeving, bedoeld om terreuraanslagen te voorkomen, wordt misbruikt voor eigen politiek gewin in plaats van het voorkomen van aanslagen.

Dat zijn de belangrijkste bevindingen in het onderzoek Speaking of Terror, opgesteld in opdracht van de Raad van Europa, dat deze week in Amsterdam werd gepresenteerd.

Sinds de aanslagen van ‘9/11’ zijn de Verenigde Naties en de Europese Unie akkoord gegaan met tal van maatregelen om herhaling te voorkomen. Maar in een aantal Europese landen zijn die gebruikt om bronbescherming van journalisten in te perken, publicaties te verbieden of websites ‘uit de lucht’ te halen.

Europese wet- en regelgeving om aanslagen en radicalisering te voorkomen, vond in de meeste lidstaten gretig aftrek en werd intern zo veel mogelijk opgerekt. Maar de keerzijde, bescherming van burgerrechten, kreeg nauwelijks aandacht. Ook niet van de nationale rechters of het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, die op de praktische toepassing ervan moeten toezien, zo wordt in het rapport geconstateerd.

Zo wordt het recht op overheidsinformatie, in Nederland vastgelegd in de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB), door Europese landen steeds vaker ingeperkt met een beroep op de staatsveiligheid. Journalisten die toch publiceren, krijgen te maken met vervolging, huiszoekingen of publicatieverboden.

Het rapport haalt voorbeelden aan uit Denemarken, Duitsland, Groot-Brittannië, Kroatië en Zwitserland. Zo werden in Denemarken twee journalisten vervolgd, na publicatie van vertrouwelijke documenten waarin betwijfeld werd of Irak over massavernietigingswapens beschikte. Duitse journalisten die publiceerden over de rol van de CIA bij antiterreurcampagnes in Europa, werden vervolgd. In Engeland kreeg een journalist met justitie te maken na publicaties over het fatale schietincident in de Londense metro, waar een passagier ten onrechte voor terrorist werd aangezien.

Verschillende EU-landen hebben wetgeving ingevoerd of in voorbereiding om publicaties over vertrouwelijke informatie te voorkomen. Zo wil Groot-Brittannië vervolging van klokkenluiders vereenvoudigen. Frankrijk wil alle informatie over kerncentrales als vertrouwelijk bestempelen. In Italië mogen vertrouwelijke documenten over het functioneren van veiligheidsdiensten vijftien jaar geheim blijven, met de mogelijkheid om die termijn nog eens met vijftien jaar te verlengen.

Europese regelgeving, bedoeld om het propageren of vergoelijken van terreurdaden strafbaar te stellen, wordt door een aantal lidstaten gebruikt om ook andere radicale critici, zoals aanhangers van afscheidingsbewegingen, aan te pakken. Zo werd in Oostenrijk een cartoonist vervolgd wegens verspreiding van spotprenten over de Russische ex-president Poetin. In Spanje moest een punkband, Soziedad Alkoholika, het ontgelden na een protestlied tegen politiegeweld. In Frankrijk is het sinds 2003 verboden om de nationale vlag ‘te beledigen’.

Vooral publicaties op internet moeten het steeds vaker ontgelden, nadat de EU in in 2007 Europol inschakelde om islamitische propaganda ‘te monitoren’. Informatie over afgesloten websites in Europa is nauwelijks te achterhalen, maar in Rusland ging het vorig jaar om meer dan duizend sites. Groot-Brittannië kent sinds 2006 een wettelijke verplichting voor internetproviders om opruiende sites te verwijderen. Frankrijk heeft daarover recent afspraken gemaakt. Vanaf volgend jaar moeten providers racistische, pornografische of terroristische sites zelf blokkeren.

Ook zijn journalisten steeds vaker doelwit van acties om publicaties te voorkomen. Het rapport meldt gevallen in Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk en Italië. In het Britse Manchester werden journalisten op grond van de Terrorism Act gedwongen om informatie af te staan over een geïnterviewde voormalige terrorist. En in Duitsland werd een journalist vervolgd vanwege publicaties over onderzoeken naar een Al Qaida-leider.

Al deze bevindingen moeten leiden tot onderzoek door de Raad van Europa naar de gevolgen van antiterreurmaatregelen, vindt oud-senator Erik Jurgens (PvdA), betrokken bij de presentatie van het rapport. „In Nederland lijkt het met die consequenties nog wel mee te vallen. Maar Nederland heeft, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland of Spanje, nog niet te maken gehad met grote terreuraanslagen.” Pas dan weten we echt hoe Nederlandse opsporings- en veiligheidsdiensten omgaan met hun mandaten, stelt Jurgens, al „wijzen de ervaringen elders uit dat bevoegdheden worden opgerekt. Het is aan de Raad van Europa om na te gaan, wat het onbedoelde spanningsveld tussen die antiterreurmaatregelen en de burgerrechten is”.