De crisis is wel over, nu de recessie nog

Het is goed dat de G20 een nieuwe rol heeft toegekend aan het IMF, al moet aan de organisatie van die instelling wel iets veranderen, meentSweder van Wijnbergen.

Het belangrijkste succes van de G20 is dat er geen vergaande maatregelen zijn genomen, dit in tegenstelling tot het onbenullige gejuich over ‘heipalen’ door staatssecretaris De Jager (CDA, Financiën), die in de marge mocht figureren. Het crisisdeel van de crisis lijkt voorbij. De recessie komt eraan, maar een totale meltdown zit er niet meer in. Dat dreigde in september wel even, toen de zoveelste panieksprong van Paulson, de Amerikaanse minister van Financiën, tot het faillissement van Lehman Brothers leidde en de hele interbankmarkt van de ene op de andere dag op slot ging.

Europa reageerde na een wat incoherente start verrassend competent. Sarkozy wist binnen de kortst mogelijke keren iedereen achter het plan-Brown te krijgen, waardoor na enige weken de rust op de markt teruggekeerd lijkt. Ook in Nederland waren de ingrepen coherent en verschaften zekerheid. Daarmee is tijd gekocht om structurele zaken in alle rust aan te pakken. En die rust heeft de G20 zichzelf gegeven.

Het grootste risico van zo’n serie succesvolle interventies is namelijk dat de politiek overmoedig wordt en haar daadkracht wil bewijzen door allerlei machomaatregelen, zoals in 2002 na de Enron-schandalen in de Verenigde Staten. Toen werd de Sarbanes-Oxleywetgeving (over financiële verslaggeving) er veel te snel doorheen gejast, waardoor de VS nu met loodzware, dure maar ineffectieve regulering zitten.

Maar ook bij de G20 van afgelopen weekend waren er wilde plannen. Sarkozy wilde Frans dirigisme als ordenend principe in plaats van de twee grootste aanjagers van de naoorlogse groei: vrijhandel en de vrije markt. De plannen voor allerlei internationale toezichthouders waren niet van de lucht. Maar de G20 heeft zich pragmatisch opgesteld. Sarkozy is terug in zijn hok na de steunverklaring aan het vrijhandelsproces (de Doha-ronde van de Wereldhandelsorganisatie) en er komt alleen een college van overleg voor de grote banken.

Zo’n internationale toezichthouder is een voorbeeld van Sarbanes-Oxleybeleid. Er is een hele rij problemen bij deze crisis naar voren gekomen, bij boekhoudregels, management pay-structuren, toezichthouderspraktijken en ga zo maar door. Maar geen van die problemen is terug te voeren op de afwezigheid van toezicht op supranationaal niveau. Ook een supra-toezichthouder had de hele wereld aan shadow banking, waar de problemen zijn ontstaan, niet gezien onder de huidige boekhoudregels.

Waar we wel tegen de grenzen van de natiestaat aanlopen is interventie, de stap die volgt nadat duidelijk geworden is dat het ondanks toezicht toch is misgegaan. Bij Fortis is het met drie overheden na een valse start uiteindelijk gelukt een oplossing te bereiken, maar dat was met tien nationale overheden waarschijnlijk niet gelukt, zoals hoofdrolspeler Bos verscheidene malen aangegeven heeft. Een supranationale toezichthouder lost dat probleem niet op – die zal bij interventie toch terugmoeten naar de mandaterende overheden en dan heb je het probleem weer terug.

Het probleem hier is niet het toezicht, maar de afwezigheid van afspraken over lastenverdeling bij interventie, en überhaupt de afwezigheid van gemeenschappelijke interventiemodellen. Die afspraken moeten gemaakt worden, maar een supranationale toezichthouder loopt de andere toezichthouders alleen maar in de weg.

Natuurlijk is het IJslanddebacle een voorbeeld waar ons systeem van internationaal toezicht niet goed gewerkt heeft. En door ons ‘paspoortsysteem’ konden ze toch overal in de EU werken: eenmaal goedgekeurd door de toezichthouder van je hoofdkwartierland mag je overal terecht. Maar ook dit probleem zou niet met een internationale instantie opgelost zijn: Landesbanki was zonder twijfel te klein geweest om daaronder te vallen. Het probleem hier is dat er toezichthouders aan het paspoortsysteem meedoen die onvoldoende kwaliteit leveren. En daar heeft de G20 nou net een goed voorstel gedaan: ze willen bij het IMF de taak leggen „toezicht te houden op de toezichthouders”.

De voorstellen om deze nieuwe rol aan het IMF te geven vereisen wel dat die instantie zelf bij de tijd gebracht wordt. Een voorstel daarvoor is aangekaart, namelijk realistischer zeggenschapsverhoudingen: meer invloed voor landen zoals China, India en Brazilië. Die landen hebben ook op deze G20 en in de eerdere Doha-ronde duidelijk een constructieve rol gespeeld, dus dat zal bij het IMF ook wel goed werken. (Het voorstel om de Doha-ronde weer op te starten komt bijvoorbeeld van Brazilië.) De tijd moet leren of Nederland nog steeds zo enthousiast is voor stemrechtaanpassing in het IMF, als ze in Den Haag begrijpen dat dat verlies van de Nederlandse zetel in het IMF-bestuur betekent.

Maar voor een werkelijke rol als toezichthouder over toezichthouders is meer nodig. Het IMF is net als de Wereldbank een vreemd aangestuurde instelling. Toezicht op het management wordt uitgeoefend door de Executive Board (waar Nederland een zetel gaat verliezen). Deze board doet zijn naam eer aan – ze is echt executive. Elke beslissing, hoe klein ook, wordt aan dit bestuur voorgelegd. De Executive Board is dan ook het hele jaar door in zitting.

Het moge duidelijk zijn dat deze board in een permanent conflict of interest zit. Het vergroot ook de politieke inmenging in dagelijkse beslissingen, een van de zwakke punten van het IMF en de Wereldbank. Het omvormen van de Executive Board naar een supervisory board, met gewoon één vergadering per kwartaal en alleen discussies over strategische zaken plus echt toezicht zou een essentiële professionaliseringsslag betekenen. Koppel dat aan het terugschroeven van stemrecht van Europa en de VS ten gunste van China, India, Brazilië, en het IMF is klaar voor de nieuwe rol die de G20 het toegemeten heeft.

Sweder van Wijnbergen is hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam.