Waterschapsverkiezingen

Het was niets minder dan een catastrofe, de Allerheiligenvloed van 1 november 1170. Door toedoen van een soort middeleeuwse tsunami brak de duinenrij voor de kust van Noord-Holland door, waarna gigantische stukken land blank kwamen te staan. Om een indruk te geven: voor de stadsmuren van Utrecht kon je zelfs wijting vangen – een zeevis!

De zware overstroming was de derde stormvloed in minder dan veertig jaar. Dat was natuurlijk geen toeval. De hoofdschuldige van deze rampen was duidelijk aanwijsbaar: de mens zelf. Gedurende twee eeuwen hadden de bewoners van Lage Landen – die aanvankelijk helemaal niet zo laag waren – de grote veengebieden in het westen ontgonnen met afwateringskanaaltjes. Het drooggevallen veen was vruchtbaar en dus geschikt voor akkerbouw. Nadeel was alleen dat veen gaat oxideren als je er water aan onttrekt. Gevolg: de bodem daalde tot onder de zeespiegel en werd kwetsbaar voor overstromingen.

Daar moest wat aan worden gedaan. Op veel plekken werden simpele dijkjes aangelegd, niet lang daarna gevolgd door indrukwekkende waterstaatkundige constructies. Die hadden uiteraard onderhoud nodig. Aanvankelijk zorgden de aan het water wonende dorpelingen hiervoor. Een beetje onredelijk was dat wel; als de dijken zouden doorbreken, zouden immers niet alleen zij, maar ook de bewoners van meer naar binnen gelegen gebieden hiervan schade ondervinden. Al snel ging dan ook het principe ‘wie water deert, die water keert’ gelden: alle boeren in een bepaald gebied – een waterschap – moesten evenveel bijdragen aan het dijkonderhoud. Om dit systeem te reguleren konden alle vrije boeren per dorp een vertegenwoordiger kiezen in een overkoepelende heemraad. Dit college moest het eens worden over uit te vaardigen voorschriften.

Met deze samenwerking in de strijd tegen het water was het roemruchte Nederlandse poldermodel geboren… zegt men. Natuurlijk is veel op deze theorie af te dingen. Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat onenigheid binnen waterschappen juist ellende veroorzaakte. Het is meer dan eens voorgekomen dat een kwaadwillende boer de dijk rond het dorp van zijn concurrent doorprikte.

Feit blijft wel dat de waterschap Nederlands oudste overlegorgaan is. Het lijkt de enige reden waarom die gekke verkiezingen, met onbekende kandidaten en een extreem laag opkomstpercentage, nog steeds bestaan.

Historicus Jaap Cohen onderzoekt het heden aan de hand van het verleden.