Rembrandt met tekstballon kan niet

Een nieuw blad met literaire beeldverhalen, Eisner, ligt sinds vorige week in de winkel. Schrijver Robert Anker las het eerste nummer.

Onlangs verscheen het nieuwe stripblad, pardon, tijdschrift voor beeldverhalen, Eisner, met Ward Wijndelts als hoofdredacteur. Het wil laten zien „dat strips ook van zichzelf ‘literair’ kunnen zijn”. Je hoeft maar een paar tellen door het blad te bladeren om te zien dat de vaak spaarzame teksten (en literatuur is tekst) allerminst voor dat predicaat in aanmerking komen en los daarvan: in die richting moet het beeldverhaal het helemaal niet zoeken, het primaat ligt immers bij het beeld. De naam zegt het al, de maker is een tekenaar die zich niet zelden van tekst laat voorzien door iemand anders.

Toen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw de populaire cultuur, met de popmuziek voorop, door een nieuwe generatie veel serieuzer werd genomen dan daarvoor, namelijk alsof het kunst was, kon het stripverhaal niet achterblijven. Maar het duurde tot in de jaren zeventig voor er beeldverhalen verschenen als Het contract met God van Will Eisner (die zijn naam leende aan het nieuwe blad) waarop het predicaat ‘graphic novel’ van toepassing werd geacht. Daarmee bedoelde men dat het literaire waarde zou hebben, quod non, want ook daar was het beeld het uitgangspunt (en de verhalen an sich zijn waarschijnlijk te simpel).

Er is natuurlijk een ander genre waaraan het beeldverhaal zich in artistiek opzicht zou kunnen optrekken, een eveneens van oorsprong ‘popular’ genre: de film. Net als in het stripuniversum vinden we hier een overdaad aan sf en wat men wel ‘sword-and-sorcery’ noemt, maar ook films die algemeen als grote kunst worden beschouwd (zelfs een spaghettiwestern als Once upon a Time in the West). Het doorslaggevende verschil is echter het hyperrealisme van de film versus het gegeven dat een stripverhaal een tekening is. Daardoor is het altijd ironisch, hoe licht ook (in Amerika heet het niet voor niets nog altijd een ‘comic’). De wereld is niet echt als in de film (hoe fictioneel ook) maar ‘nagetekend’. De tekening blijft altijd vóór de werkelijkheid staan. Ik kijk naar een ontroerend-dramatische sterfscène uit Het contract met God, maar ontroering noch drama bereikt mij (‘Oh mijn borst, AAH!’), ik moet bijna een beetje lachen (maar niet bij Art Spiegelmans Maus!). Daarnaast blijft het stripverhaal vanuit diezelfde getekende aard verbonden met de jeugd, een bepaalde fase in je leven, waardoor het moeilijker wordt het serieus te nemen als een uitdrukkingsmiddel voor volwassenen.

Het stripverhaal moet ook geen beeldende kunst willen zijn. Stelt u zich voor dat de figuren op een tekening van Rembrandt van een tekstballonnetje zijn voorzien – de kunstuitdrukking zou daardoor op slag onteigend zijn. Het stripverhaal maakt met ironie en al gebruik van zijn eigen uitdrukkingsmiddelen: tekening en tekst. De vraag of het kunst kan zijn – in de grond van de zaak is het dat wat de redactie van Eisner met ‘literair’ bedoelt – schort ik op, ik denk bijvoorbeeld aan sommige afleveringen van de Peanuts (en Maus). Ik lees en blader het blad nog eens door. Het is van alles wat, soms aardig, meestal matig, vooral: dunne verhaaltjes. Ik hou heus wel van strips, ik was als jongvolwassene geabonneerd op de Pep (met De generaal van Peter de Smet!), bij de kapper lees ik altijd de Donald Duck, ik heb zelfs een gedicht geschreven dat Heimwee naar Kuifje heet, maar voor mij blijft het iets erbij, het is fijn, het is aardig, maar niet iets belangrijks, een serieus blad als Eisner is niet voor mij bedoeld. Dat was ik vergeten.

Eisner, uitg. Podium, € 15, drie keer per jaar. Vrijdag organiseert festival Crossing Border een special. Zie: eisnerbeeldverhalen.nl