Nederland is nog volop multicultureel

Nederland is helemaal niet een bang, nationalistisch landje geworden dat allochtonen tot assimilatie dwingt. Multiculturalisme is nog de standaard, meent Ruud Koopmans.

Volgens Jan Willem Duyvendak, Ewald Engelen en Ido de Haan – auteurs van Het bange Nederland – is „Ella Vogelaar gestruikeld over het geborneerde nationalisme dat het bang gemaakte Nederland nu al zo’n zeven jaar in zijn greep houdt. In zeven jaar tijd is Nederland van een open samenleving een land geworden dat meent dat het integratievraagstuk alleen kan worden opgelost met een harde, polariserende aanpak die ontevreden autochtonen hun vertrouwen in de politiek moet teruggeven door allochtonen te dwingen zich aan te passen” (NRC Handelsblad, 14 november). „Er zijn weinig landen die zo dwingend homogeen zijn als Nederland”, aldus Duyvendak. Elders spreekt Engelen over „neonationalistisch beleid”. Hij brengt de recente ontwikkelingen in het Nederlandse integratiebeleid in verband met „Blut und Boden”.

Van wetenschappers mag je verwachten dat, als ze met grote woorden en harde oordelen in het publieke debat interveniëren, ze dit doen op basis van feitenkennis. Dit is echter niet het geval.

In 2007 onderzocht de Brusselse Migration Policy Group in samenwerking met de British Council en tientallen internationale experts het integratiebeleid in 27 Europese landen plus Canada. Als we Duyvendak cum suis moeten geloven zou Nederland op deze index een modderfiguur slaan. Maar Nederland behoorde, ook na vijf jaar Hilbrand Nawijn en Rita Verdonk als bewindspersonen voor integratie, nog tot de landen met de beste rechtspositie voor migranten. Het komt op de MIPEX-index (zie tabel) onder de 28 landen op de vierde plaats, na Zweden, België en Portugal, maar vóór Canada, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, om maar te zwijgen van Duitsland, Denemarken en Oostenrijk.

Wat etnische zelforganisatie betreft concludeert het rapport: „Organisaties van migranten participeren in overlegorganen en kunnen subsidie verkrijgen onder gunstige voorwaarden waarmee Nederland op de derde plaats onder de 28 landen komt.” Dat zelforganisaties meestal geen structurele subsidies meer krijgen is waar, maar de projectsubsidies vloeien onder de nieuwe vlag van ‘diversiteitsbeleid’ nog steeds rijkelijk.

Is er dan niets veranderd in Nederland de laatste jaren? Jazeker, op een paar punten worden sinds enkele jaren sterkere assimilatie-eisen gesteld en enkele regelingen voor minderheidsgroeperingen zijn geschrapt.

Net als in veel andere Europese landen zijn inburgeringscursussen verplicht geworden en het succesvol doorlopen ervan is een voorwaarde geworden voor naturalisatie. Huwelijksmigranten moeten een eenvoudiger versie van de inburgeringstest afleggen alvorens ze een verblijfsvergunning in Nederland krijgen.

Het onderwijs in (allochtone) levende talen is afgeschaft.

De Wet Samen, die beoogde de arbeidsmarktparticipatie van allochtonen in het bedrijfsleven door voortgangsrapportages te vergroten, is niet verlengd.

Aan de relatieve positie van Nederland ten opzichte van de andere landen heeft dat wel iets veranderd, maar zeker niets dramatisch. In de MIPEX-index 2004 stond Nederland tweede (na België) en nu vierde. Als wij in het ‘bange Nederland’ inderdaad een „neonationalistisch integratiebeleid” hebben, wat is er dan in godsnaam aan de hand in de rest van Europa?

Als we kijken naar beleidsterreinen die in de MIPEX niet aan bod komen, zoals de omgang met culturele verschillen in het onderwijs en in de media, en voorkeursbeleid voor allochtone groeperingen op de arbeidsmarkt, komt Nederland al helemaal niet als assimilationistisch uit de bus. In het boek Contested Citizenship onderzocht ik samen met drie buitenlandse collega’s het beleid op deze terreinen in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Zwitserland. Nederland blijkt het land te zijn dat het meeste tegemoetkomt aan de eigen cultuur en religie van minderheidsgroepen, onder andere omdat Nederland:

anders dan Duitsland en Zwitserland halal slachten toestaat;

anders dan de andere vier landen de wet op de lijkbezorging heeft aangepast aan het islamitisch begraven binnen 24 uur na overlijden en zonder kist;

anders dan Frankrijk, Zwitserland en de meerderheid van de Duitse deelstaten leraressen op openbare scholen toestaat een hoofddoek te dragen;

meer gesubsidieerde islamitische scholen kent dan de andere vier landen bij elkaar (Nederland heeft er 43, Frankrijk en Zwitserland hebben er geen, Duitsland twee en Groot-Brittannië vier);

veruit het breedste aanbod heeft aan programma’s voor minderheden in de publieke media, onder andere in de vorm van de regel die de NPS verplicht 20 procent van haar zendtijd aan ‘multiculturele programmering’ te besteden;

als enige van de vijf landen een actief voorkeursbeleid voor allochtonen voert voor overheidsfuncties.

In Nederland discussiëren we over burka- en niqaabdraagsters, handenschudweigeraars, fundamentalististen die niet voor de rechter op willen staan en andere vertegenwoordigers van de ultraorthodoxe marge binnen de islam. In andere landen (met uitzondering van Groot-Brittannië) heeft men het zelden of nooit over dit soort zaken – maar dat is niet omdat er daar zo tolerant mee wordt omgegaan. Integendeel, daar heeft men het nog veel te druk met discussies over zaken die in Nederland al lang en breed gemeengoed zijn (hoofddoekjes, islamitisch onderwijs).

De hoofddoek is op een enkele uitzondering na – bij de politie en bij de rechterlijke macht – in Nederland toegestaan en op het recht op het dragen ervan wordt toegezien door de Commissie Gelijke Behandeling en de rechter. In Frankrijk is de hoofddoek verboden voor alle ambtenaren, inclusief leraressen, en bovendien ook voor leerlingen. In Duitsland hebben de meeste deelstaten gekozen voor de Franse oplossing – geen hoofddoeken in openbare instituties, maar ook geen christelijke of joodse religieuze tekenen – maar sommige Zuid-Duitse deelstaten hebben er geen moeite mee de hoofddoek te verbieden terwijl nonnen op openbare scholen wel in vol ornaat voor de klas staan.

De hoofddoek is in Nederland veel meer geaccepteerd dan in de meeste andere Europese landen. Tel op vakantie de hoofddoekjes achter de kassa’s van de supermarkt en vergelijk dat met de Albert Heijn bij u om de hoek.

De multiculturele benadering in de media is de laatste jaren eerder geïntensiveerd dan afgenomen. Sinds kort zendt de NPS dagelijks op de radio, en vanaf januari 2009 ook op televisie, Dichtbij Nederland uit – onvervalster Hollands multicultureel beleid kun je niet bedenken: aparte programma’s voor allochtonen met informatie over ‘hun’ sporters.

Op het punt van voorkeursbeleid voor overheidsfuncties heeft Nederland eerder een tandje bij dan een stap terug gezet. Binnen de wetenschap is er sinds 2004 het programma ‘Mozaiek’ dat jaarlijks 4 miljoen euro ter beschikking stelt voor 20 promotieplaatsen die gereserveerd zijn voor afgestudeerden van allochtone komaf. Een ander voorbeeld is het door minister Ter Horst ingevoerde voorkeursbeleid voor leidinggevende functies bij de politie. De helft van alle Kroonbenoemingen (korpschefs en plaatsvervangend korpschefs) moet de komende drie jaar gaan naar een vrouw of een allochtoon. In Frankrijk of Duitsland, ja zelfs in Groot-Brittannië zou het land te klein zijn als de overheid groepen personen zo zou voortrekken simpelweg op basis van afkomst en de daarmee blijkbaar gepaard gaande ‘frisse blik’.

Hoe komt het dat het multiculturele beleid in Nederland voortduurt, in weerwil van de opkomst van rechtspopulistische politici als Geert Wilders en ondanks de plechtige verzekeringen van regeringszijde dat men het multiculturele beleid afgezworen heeft? Het antwoord ligt in een uit de beleidswetenschap bekend mechanisme: padafhankelijkheid. Eenmaal in gang gezet, is de beleidstrein maar moeizaam op een ander spoor te brengen. De Nederlandse integratiebeleidssector omvat een breed veld van allochtone zelforganisaties, integratiespecialisten, multiculturele advies- en onderzoeksbureaus, diversiteitsdeskundigen en migratie- en integratie-onderzoeksinstituten, die uit een moeilijk ontwarbare combinatie van gewoonte, overtuiging en eigenbelang er toe bijdragen dat het beleid en de bijbehorende geldstromen in stand blijven.

Dat die geldstromen tegenwoordig vooral vloeien onder de noemer ‘diversiteitsbeleid’ heeft daar niet veel aan veranderd. Officieel zou dit beleid een verandering moeten betekenen ten opzichte van het oude multiculturele beleid. Maar de middelen zijn dezelfde als bij de oude multiculturele benadering van apart beleid voor etnische en religieuze doelgroepen met hun eigen cultuur die behouden dient te worden.

Wetenschappers die hun werk goed doen, zouden op de hoogte moeten zijn van de feiten rond het Nederlandse integratiebeleid. Óf Duyvendak cum suis zijn niet op de hoogte van de feiten, óf ze kennen ze wel maar negeren ze.

Ten slotte nog dit. Wie politici en opiniemakers die een andere opvatting over integratie hebben, uitmaakt voor „volksmenners” of „enge nationalisten” en ze in verband brengt met „Blut und Boden”, verspeelt elk krediet om zich over de toon van het debat op te winden.

Ruud Koopmans is onderzoeksdirecteur aan het Wissenschaftszentrum Berlin für Sozialforschung (WZB) en hoogleraar sociologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Dit is een bekorte tekst. De volledige tekst is te lezen op nrc.nl/opinie