Met Obama gaan we weer terug naar de moderniteit

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: waarom inspireert Barack Obama ons toch zo?

De verkiezing van Barack Obama als president van de Verenigde Staten is over de hele wereld door journalisten en analisten „historisch” genoemd, omdat ze in meerdere opzichten een breuk met het verleden is. De nieuwe leider wordt bovenal beschouwd als een breuk met het slavernijverleden van Amerika: met een zwarte president heeft het land het tijdperk van rassenongelijkheid definitief achter zich gelaten, aldus commentatoren. „En zo gebeurde het dat op 4 november 2008, vlak na elf uur ’s avonds, de Amerikaanse Burgeroorlog ten einde kwam”, schreef columnist Thomas Friedman van The New York Times een dag na de verkiezingen, memorerend aan de bloedige strijd tussen 1861 en 1865 die resulteerde in de afschaffing van de slavernij. „We zijn vanochtend wakker geworden in een ander land”, aldus Friedman.

Daarnaast wordt het presidentschap van Obama natuurlijk gezien als een breuk met het recente politieke verleden: de Democraat symboliseert het einde van acht jaar neoconservatief beleid van George W. Bush. Naast de al beloofde terugtrekking uit Irak, diplomatieke betrekkingen met vijandelijke staten als Iran en sluiting van het omstreden gevangenenkamp Guantánamo Bay, maakte Obama vorige week bekend dat hij onmiddellijk na zijn aantreden nog eens tweehonderd besluiten van de regering-Bush zal terugdraaien, onder andere op het gebied van klimaatbeleid, olieboringen en abortus. „Change has come to America”, vatte de nieuwe president zijn voornemens al samen in zijn overwinningsspeech.

Maar in filosofisch opzicht is de overwinning van Obama eerder een terugkeer naar het verleden. Obama’s campagne heeft namelijk een enorme opleving teweeggebracht van begrippen uit de moderniteit – een periode in de filosofie die haar hoogtij vierde tussen grofweg het begin van de Franse Revolutie in 1789 en het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1939. Kenmerkend voor die periode is vooral het geloof in de menselijke vooruitgang op sociaal en technologisch gebied. Door de opkomst van de natuurwetenschappen – beginnend bij de rationalist René Descartes (1596-1650) en voortgestuwd door de natuurkundige Isaac Newton (1643-1727) – kreeg de filosofie een steeds idealistischer karakter: de wereld werd meer en meer als ‘maakbaar’ beschouwd.

Dit toenemende geloof in het vermogen van de mens om de wereld naar zijn hand te zetten, mondde eind achttiende eeuw uit in de Verlichting. Traditie en behoudzucht werden opgegeven ten gunste van een continu streven naar verandering en vernieuwing (‘change’) en religie en bijgeloof werden ingewisseld voor rationaliteit en technologie. De Industriële Revolutie, die in dezelfde tijd plaatsvond, bevestigde nog eens de ongekende potentie van de mens om een ander soort samenleving te scheppen. De hoop op verlossing van het lijden in een hiernamaals, zoals die door de westerse mens vanaf de Oude Grieken tot aan de Late Middeleeuwen was gekoesterd, maakte plaats voor de hoop op een betere wereld hier op aarde. De moderne tijd was, zoals de Duitse filosoof Hans Blumenberg (1920-1996) het ooit treffend samenvatte, „een tijd waarin hoop op onsterfelijkheid werd vervangen door hoop voor het nageslacht”.

De slogan ‘yes we can’ geeft uitdrukking aan precies díe moderne hoop. Obama spiegelt ons ermee voor dat een eerlijkere en rechtvaardigere wereld mogelijk is – en dat we het streven naar zo’n wereld aan ons nageslacht verplicht zijn. „Yes we can repair this world”, zei hij in zijn beroemde – door rapper Will.i.am op muziek gezette – speech tijdens de voorverkiezingen; een boodschap die zo uit Immanuel Kants pamflet Naar de eeuwige vrede (1795) had kunnen komen, waarin de Verlichtingsdenker uiteenzet hoe wereldvrede mogelijk is door het instellen van een ‘wereldregering’. Het vertrouwen van Obama in transnationale instituties als de Verenigde Naties en het Internationale Strafhof (anders dan Bush wil hij het Hof in Den Haag wél erkennen) kan dus eveneens typisch ‘modern’ worden genoemd.

Modern is ook de grote rol die Obama in zijn politiek toedicht aan technologie: hij gebruikt het internet om de overheid transparanter te maken en online communities te creëren, hij wil miljarden investeren in de ontwikkeling van duurzame energie en heeft al toegezegd de door Bush stopgezette financiering van stamcelonderzoek te hervatten om ziektes als Alzheimer te kunnen bestrijden. Het idealisme van de nieuwe president verschilt dus vooral in methodisch opzicht van die van de huidige president: waar Bush een betere wereld propageerde door middel van het premoderne (christelijke) begrip ‘verlossing’ (zoals: verlossing van onderdrukkende dictators), pleit Obama voor een geleidelijkere totstandkoming van een betere wereld via het moderne begrip ‘vooruitgang’.

Dat er vooral in West-Europa en Amerika een enorme behoefte blijkt te zijn aan het idealisme van Obama is niet verwonderlijk; er bestaat in het Westen al een tijdje een prangend gebrek aan idealen. De moderniteit ligt namelijk alweer meer dan zestig jaar achter ons. Want het geloof in vooruitgang – door de hedendaagse Britse filosoof John Gray (1948) nog altijd een „moderne mythe” genoemd – brokkelde in het begin van de twintigste eeuw snel af en raakte definitief in onmin door de Tweede Wereldoorlog: geloof in een betere wereld bleek opeens een gevaarlijke illusie. De idealen van de Verlichting waren uitgedraaid op een ramp. Zelfs de wetenschap werd door de oorlog verdacht: Hitler had met behulp van wetenschappelijke methoden proberen aan te tonen dat Joden inferieur waren aan het arische ras, om zo hun uitroeiing te kunnen rechtvaardigen. Dit bewoog veel filosofen ertoe het tijdperk van de Verlichtingsidealen definitief achterhaald te verklaren: het postmodernisme was een feit.

De Franse filosoof Jean-François Lyotard (1924-1998) typeerde deze postmoderne tijd in zijn beroemde essay Het Postmoderne Weten (1979) dan ook als „het einde van de Grote Verhalen”. De mens had het geloof in metatheorieën, zoals dat de geschiedenis naar een ‘einddoel’ toe beweegt, dat de wetenschap tot alomvattende kennis zou leiden en dat absolute vrijheid mogelijk was, verloren. Het idee dat een goede wereld mogelijk was, werd als ‘onrealistisch’ bestempeld: de geschiedenis zou altijd een strijd om macht blijven. Een gezamenlijk doel had de mensheid dus ook niet meer. „Ieder werd weer naar zichzelf terugverwezen”, aldus Lyotard. Zelfs het begrip ‘hoop’ kreeg een negatieve connotatie, ontleend aan de oervader van het postmodernisme Friedrich Nietzsche (1844-1900), die hoop „het kwaadste der kwaden” noemde, „omdat ze het enige is dat het lijden verlengt”. Met andere woorden: hoop was niet langer een bewonderenswaardig geloof in een betere wereld, maar een naïef vastklampen aan de illusie van een betere wereld, die slechts bevestigde hoe wreed en onrechtvaardig het leven in werkelijkheid was.

De Republikeinse presidentskandidaat John McCain probeerde tijdens de campagne nog munt te slaan uit dat postmoderne cynisme door Obama steeds als ‘naïef’ en ‘onervaren’ af te schilderen. Hij zou de ‘gevaren’ in de wereld niet onder ogen zien. Maar Obama heeft met zijn bevlogen retoriek van hoop weer iets bewonderenswaardigs weten te maken. Miljoenen (vooral jonge) mensen geloven door hem dat de wereld toch een beetje beter kan. Daarmee is zijn verkiezing als president dus niet alleen een breuk met het verleden, maar vooral een breuk met het heden: het postmoderne cynisme lijkt – tenminste tijdelijk – op zijn retour. En nu maar hopen dat het niet weer uitdraait op een deceptie, zoals de eerste keer.