In oorlog veel Joods onroerend goed verhandeld

Malafide makelaars hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog grof geld verdiend aan de aan- en verkoop van onroerend goed dat eigendom was van Joden. Zo’n 20.000 ‘Joodse panden’ kwamen in handen van die makelaars, minstens 9.000 werden vervolgens doorverkocht.

Dat blijkt uit onderzoek van de de Amsterdamse historicus Eric Slot dat vandaag is gepubliceerd in het Historisch Nieuwsblad. Vanaf augustus 1941 werden Joden verplicht om hun onroerend goed aan te melden bij de Niederländische Grundstückverwaltung die verantwoordelijk was voor onteigening en verkoop van deze panden.

Tot nu toe gingen historici ervan uit dat Nederlanders zich niet schuldig hebben gemaakt aan ‘roof' van Joodse panden. Volgens historicus Lou de Jong kochten Nederlanders deze woningen niet op en zouden banken daar ook geen hypotheken voor verstrekken, zo schreef hij in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Maar volgens Slot was De Jong abuis. Slot baseert zich daarbij op in het Nationaal Archief gevonden documenten, Verkaufsbücher, met de administratie van adressen, de eigenaren en de oorlogskopers. Daaruit blijkt de omvang van de winsten die met de onroerend goedtransacties gemoeid waren.

Joden die de oorlog en de deportaties overleefden, kregen daarna hun huizen niet zonder meer terug.Partijen moesten het onderling regelen. Meestal lukte dat en werd een minnelijke schikking getroffen. Dat betekende in de praktijk dat de bestolene moest onderhandelen met degenen die zijn huis op grond van Duitse regelgeving bemachtigd hadden, meestal collaborateurs of NSB’ers.

In 1997 stelde de door de Nederlandse regering ingestelde commissie-Van Kemenade, die onderzocht of Joodse gedupeerden na de oorlog wel voldoende financieel gecompenseerd waren, nog vast dat ‘niet gebleken is dat het rechtsherstel met betrekking tot het Joods onroerend goed incorrect is verlopen’.