Het veilige schelden

De voorzitter van de jury die zondag de jaarlijkse cabaretprijzen van de VSCD toekende, maakt zich zorgen. In haar ‘State of the Art 2008’ waarschuwde Doro Siepel dat de kleinkunst tegenwoordig, net als de andere podiumkunsten, te maken krijgt met publiek, pers, impresariaten en theaterdirecteuren die „steeds meer voor veilig” kiezen.

De pot verwijt de ketel. Ja, er zijn uitzonderingen, maar dat zijn uitzonderingen. Intussen kiest het gros van de Nederlandse kleinkunst zelf al lang voor veilig, of die nou doet aan conferences, liedjes, stand-up of groepsgewijs cabaret. Veilig is: doen wat Freek de Jonge in de vroege jaren zeventig uitdacht en ontwikkelde, samen met Bram Vermeulen.

Niet voor niets kreeg Freek de Jonge afgelopen zondag de Oeuvreprijs „als de belangrijkste cabaretvernieuwer van de laatste halve eeuw”.

De Jonge doorbrak het dominees-cabaret van Wim Kan en van allerlei zingende leraren Nederlands die hun publiek een spiegel voorhielden en beschaafd de mantel uitveegden. De Jonge weigerde beschaafd te zijn. Dat was iets nieuws. Hij hield niemand een spiegel voor. Hij brak die spiegel en smeet zijn publiek de scherven in het gezicht.

De Jonge ontwikkelde zich. Hij maakte de adoratie van zijn publiek belachelijk. Hij was emotioneel, koket, en veel filosofischer dan het een cabaretier betaamde. Het werd hem niet altijd in dank afgenomen, maar daar trok De Jonge zich weinig van aan.

Iedereen doet nog altijd Freek de Jonge na. In het spoor van zijn frisse provocaties werd grofheid de norm, en het afbekken van het eigen publiek de franje van menig programma. Dat De Jonge ook zijn persoonlijke gevoelens in stelling bracht, verwaterde tot de zelfvertederende liedjes van zijn muzikale navolgers. En menige stand-upper staat routineus stil bij alledaags leed met de eigen onmacht als conclusie – seksuele impotentie als de performer man is. Is zij vrouw dan grapt zij over het verval van haar uiterlijk.

Ook Hans Teeuwen, de laatste onbetwiste held van het cabaret, volgt de methode-De Jonge van veertig jaar geleden, hels geïntensiveerd, maar toch. Op Teeuwen volgden weer epigonen: kijk eens hoe bruut ik kan zijn? Het werd er na de ‘Ik zeg wat ik denk’-revolte inhoudelijk niet beter op.

En het publiek? Dat liet zich graag verleiden en gierde het uit, in zalen die bijna per definitie vol liepen. De publieke omroep, altijd tuk op gemakkelijk succes, holde mee, televisieavonden waren vergeven van de cabaretprogramma’s.

Dat houdt nu kennelijk op.

Omdat het publiek op veilig speelt, zoals de juryvoorzitster zegt? Of is dat publiek overvoerd, samen met de pers, de impresario’s en de theaterdirecteuren? Voor evidente talenten willen ze nog best warm lopen, verder houden ze het voor gezien. Het is tijd voor ontwikkeling. Voor kleinkunst die afscheid durft te nemen van achterhaalde vormen en afgesleten normen. Weg bij dat hyperrealisme. Duid de wereld nu maar eens met wat onversneden surrealisme.