Het doosje met pillen

Als werkster voor een thuiszorginstelling maakt Jet Berkhout kennis met vooral oudere cliënten. In dit deel krijgt zij te maken met een man die zegt dat hij het ‘echt goed’ heeft.

De naam van het medicijn dringt niet tot me door als ik het badkamerplankje leegmaak. Ik pak het regenboogkleurige doosje eraf, samen met de floss, het scheerkwastje en de tandenpoetsbeker. Die beker zit vol met tandpastaresten en ik besluit de beker eerst grondig af te wassen voordat ik hem terugzet op het glazen plankje, dat door de Glassex en het opwrijven met de schone theedoek weer glimt. Daar denk ik aan als ik het doosje pillen vluchtig met een doekje afneem en weer terugleg.

In het huis van meneer Tollen hangen foto’s van kinderen en kleinkinderen. Ik zie een jong bruidspaar met aan weerszijden trotse ouders, onder wie meneer in een grijs driedelig pak. Daarnaast hangt een schoolfoto van een lachend meisje dat haar tanden wisselt. En op de vensterbank zie ik een kunststof lijstje met een zongebruind jongetje in gele zwembroek.

Mooi. Deze meneer is onder de pannen. Mijn ervaring leert dat oude mensen met kinderen minder eenzaam en gelukkiger zijn. Daarom ben ik altijd opgelucht als ik in een woning recente foto’s van kinderen zie hangen. Sterker, ik merk dat wanneer ik bij een nieuwe cliënt kom, mijn ogen eerst automatisch speuren naar kinderfoto’s.

Meneer Tollen is inderdaad onder de pannen. Terwijl we samen koffiedrinken zegt hij dat hij het in deze seniorenflat uitstekend naar zijn zin heeft. Dat hij het prima alleen kan rooien. Dat hij zich opperbest vermaakt. Dat hij het echt goed heeft.

Hij zegt het net iets te vaak.

Ik begrijp het niet. Ik heb hem net nog onder de groep ‘gelukkig met kinderen’ geschaard. Misschien is hij vergeten dat hij gezegend is met nageslacht. Of is hij in een sombere bui. Ik besluit hem even aan zijn geluk herinneren. „Ziet u uw kinderen vaak?” vraag ik. Het is een uitnodiging om de loftrompet over zijn nageslacht te steken, en daarmee indirect over zichzelf. Ik verwacht dat hij zich dan zal realiseren hoe hij toch boft. Het is een verkeerde inschatting van mij.

Hij zegt het een beetje verontschuldigend, alsof hij de situatie minder pijnlijk wil maken, ik weet niet voor wie. Maar hij ziet zijn kinderen niet vaak. Dat is heel begrijpelijk, haast hij zich uit te leggen. Zij hebben immers hun eigen leven. Met een eigen gezin en een eigen zaak. Je weet hoe dat dan gaat. Op zaterdag werken, op zondag administratie. Bovendien is een van zijn kinderen geëmigreerd. Die komt natuurlijk ook niet zomaar over. Dat is logisch.

Ik knik instemmend, vooral om de situatie niet pijnlijker te maken. Ik vraag me af waarom zijn kinderen het zo druk hebben, hoe meneer Tollen als vader was en waar mevrouw Tollen in het hoofdstuk is gebleven, maar ik zwijg. „Ik ben zielsblij dat ik alleen woon”, zegt meneer nog eens en hij wrijft in zijn handen. Ik knik weer. Ik zeg dat ik blij voor hem ben.

Misschien kan meneer Tollen zichzelf nog eens van zijn geluk overtuigen, maar ik vraag het me af. Mijn uitgangspunt ‘kinderen, dus gelukkig’ was naïef en stel ik bij.

Wanneer ik mijn fiets van het slot haal, flitst plotseling de naam door mijn hoofd van het medicijn op het badkamerplankje. Het antidepressivum Seroxat.

Jet Berkhout