Gaat het slecht met Opel, gaat het slecht met Duitsland

Het ging net weer goed met Opel. De forse investering van het moederconcern General Motors deed de winst weer groeien. Nu dreigt onheil. De Ami’s hebben het bij Opel verknald, wordt er gezegd.

In de showroom van Opel in hartje Rüsselsheim heerst een opperbeste stemming. Bezoekers verdringen zich voor de nieuwste Opel, een Insignia, en voor een oldtimer, een blauwe Opel Kapitän uit 1958 met een crèmewit dak en veel chroom.

Een verkoper doet vergeefs z’n best zijn enthousiasme een beetje te temperen. De Insignia is maandag door internationale autojournalisten verkozen tot ‘Auto van het Jaar’ en dat is bij alle rampspoed die dezer dagen voor Opel dreigt, een opsteker. De verkoper: „Het geeft weer een beetje zelfvertrouwen. Dat hadden we nodig. De komende maanden worden nog moeilijk genoeg.”

Rüsselsheim is Opel-stad. Hier leeft men van en voor die ene fabriek, die de stad beheerst en er letterlijk bovenuit torent. Hier is het allemaal begonnen, in de negentiende eeuw met naaimachinefabricage, later aangevuld met fietsen. Al vanaf 1898 worden hier auto’s gemaakt. Oprichter Adam Opel heeft een imperium achtergelaten van bakstenen gebouwen, eindeloos lang en groot. Industriële monumenten zijn het, in de tweede helft van de twintigste eeuw deels vervangen door ultramoderne fabrieken waar robots werk van mensen doen.

Nu zit Opel in zwaar weer. Dat is niet voor het eerst, maar dit keer staat het water de Rüsselsheimer automakers aan de lippen. Opel is al bijna tachtig jaar eigendom van het Amerikaanse automobielconcern General Motors. De Amerikaanse moedermaatschappij kampt door de kredietcrisis met ernstige problemen. Het bedrijf verliest vele tientallen miljoenen dollars per dag; de Amerikaanse vraag naar auto’s is ingezakt en General Motors heeft ook nog eens de trend van deze tijd gemist – kleine, zuinige wagens.

In Washington zou deze week worden beslist over financiële steun aan de Amerikaanse auto-industrie, maar bij het Duitse Opel wilden ze een besluit daarover niet afwachten. De directie in Rüsselsheim sloeg alarm en meldde zich maandag bij de regering in Berlijn. Verzoek: minstens een miljard euro aan borgstellingen. Voor het geval het mis gaat in Amerika.

Bondskanselier Angela Merkel staat niet afwijzend tegenover zo’n vorm van steunverlening, maar voor Opel is het nog geen gelopen race. De Duitse regering weigert een blanco cheque te tekenen. Uit vrees voor een precedent, en ook omdat Merkel bang is dat straks met het geld of de garanties voor Opel de gaten op het hoofdkantoor in Detroit worden gedicht. Rond Kerstmis moet duidelijk zijn wat Opel van de Duitse regering kan verwachten.

Tot die tijd houdt Rüsselsheim met 18.300 Opelwerknemers de adem in. Iedereen leeft met Opel mee, ‘Opelaner’ of niet. Voor de bevolking is een leven zonder de fabriek onvoorstelbaar. Voor Helmut Tripke (64), een stevige man met een grijze baard, is Opel altijd z’n werk en z’n hobby geweest. Hij was zestien jaar toen hij als leerling bij de fabriek in Rüsselsheim ging werken; 46 jaar later ging hij er met pensioen. Daartussen ligt een leven gewijd aan de lopende band, sleutelen, spuiten, onderzoek doen op het Opellab – Tripke pakte alles aan. Opel is zijn trots. En hij kan er woedend om worden. „De Ami’s hebben het verknald. En wij hebben het laten gebeuren”, zegt hij verbitterd.

De ‘Ami’s’ zijn de Amerikanen. Ze hebben geen goede pers in Rüsselsheim. Bijna iedere ondervraagde Opelwerknemer zegt dat Opel heel goed zonder hen kan. Helmut Tripke zegt het zo: „Ze hebben hier de laatste twintig jaar niets anders gedaan dan saneren. Na drie jaar vertrok zo’n manager weer naar Detroit. Vijfduizend man eruit, maar even vergeten hoe je een goede auto moet maken en verkopen. Als wij een schroef verkeerd in een Astra draaiden, moesten we ons bij de afdelingschef melden. Maar de Amerikaanse directeuren hoefden geen verantwoording af te leggen. En het tragische was dat ze omringd waren door ja-knikkers uit onze eigen rijen. We zijn blind geweest. Dit was ooit de grootste en beste autofabriek van Duitsland”.

Na een periode van bloei in de jaren ’60, ’70 en ’80 volgde een jarenlange malaise. De tweede helft van de jaren ’80 markeert het einde van de glorietijd. Nog werd, tot twee keer toe, een Opel tot Auto van het Jaar verkozen: in 1985 (de Kadett) en in 1987 (de Omega). Wat er daarna gebeurde laat zich snel vertellen: mismanagement, reorganisaties en saneringen, demoralisering onder het personeel, en het op de markt brengen van modellen die de bekoring van vroegere types misten.

Opel heeft veel aan General Motors te danken, maar in Amerika en ook op de groeimarkt China moest het uit concurrentieoverwegingen wegblijven met zijn producten. Dat is steeds meer gaan wringen. Anderzijds: de Amerikanen waren zes jaar geleden niet te beroerd om honderden miljoenen te investeren in een ultramoderne Opelfabriek in Rüsselsheim. Het is een dubbele verhouding die de Duitse automakers met hun hoofdkantoor in Amerika hebben.

Nog is Opel niet verloren. De laatste twee jaar is er eindelijk weer winstgroei. Het Opelmanagement bestaat uit betrokken (Duitse) autofanaten, die het beste met het bedrijf voor lijken te hebben. De ingenieurs van Opel tekenen weer modellen die aanslaan. En voorlopig is alle hoop gezet op de Insignia, ‘een middenklasser met potentie’. Twee oudere heren betasten in de Opel-showroom in Rüsselsheim een tentoongesteld model. „Eindelijk weer een echte Opel”, zegt een van hen liefkozend. „Hopelijk komt-ie niet te laat”.

Rüsselsheim verkeert tussen vrees en hoop. Bij Opels poortgebouw, vlakbij het station, komen om stipt twaalf uur mannen in blauwe overalls naar buiten. Ze zijn zwijgzaam, maar Stefan, een jongeman nog, zegt dat hij en zijn maten allemaal voor hun job duimen. Een andere werknemer, gegroefd en aan de band oud geworden, wijst naar het bronzen beeld van Adam Opel, dat meer dan manshoog voor de ingang staat. „Zo’n vent hebben we nodig, iemand die ons uitkoopt. Een investeerder die in goede Duitse auto’s gelooft en Opel losmaakt van de Ami’s”.

Opel is in de Duitse bestuurscentra uitgegroeid tot Chefsache. De Duitse auto-industrie is de lieveling van de landelijke en regionale politiek. De werkgelegenheidsbelangen zijn enorm, niet alleen direct, maar ook indirect – door de vele toeleveranciers. Als het slecht gaat met de auto-industrie, gaat het slecht met Duitsland.

Geen wonder dat bondskanselier Merkel zich met Opel bemoeit, net zoals haar tweede man in de regering en concurrent bij de Bondsdagverkiezingen van volgend najaar: Frank-Walter Steinmeier, vicekanselier (SPD). Beiden hebben electoraal te winnen bij een adequate afwikkeling van de zaak-Opel. En beiden zullen zich herinneren hoe het ooit met de Duitse autofabrikant Wartburg in Bremen afliep. Die onderneming raakte begin jaren ’60 in moeilijkheden, verzocht om staatssteun – wat geweigerd werd – waarop een faillissement volgde en 20.000 man hun baan verloren. Met Bremen en de werkgelegenheid is het daarna niet meer goed gekomen. Duitsland zal zijn auto-industrie nooit zomaar laten bungelen. In Rüsselsheim leeft dat besef sterk.

In de stad is Opel overal aanwezig. De onderneming heeft zelfs haar eigen halte op de spoorlijn van Frankfurt naar Wiesbaden vice versa. ‘Rüsselsheim Opelwerk’ staat er op de perronborden. Als je links onder het spoor doorgaat, sta je voor een van de vele bedrijfsingangen. In de verderop gelegen Weisenauer Strasse kun je de oudere Opelfabrieken aanschouwen: een onafzienbaar lange weg met pal ernaast rode bakstenen gebouwen, streng en rechtlijnig. Links lopen korte straten dood op de fabriek. In de Wilhelmstrasse, genoemd naar Wilhelm von Opel (1871-1948; ‘ondernemer’), staan vijf huizen met drie auto’s ervoor: twee glimmende Opels en een oud Peugeootje.

Anderhalve kilometer verderop is Poort 20, met ernaast een Flak-bunker uit de Tweede Wereldoorlog. Hij valt nauwelijks op in dit industriële landschap van fabriekspanden en straten zonder bomen. Vanuit de Imbiss Heibe Theke, een eethuis recht tegenover Poort 20, komt een jonge ‘Opelaner’. „Half twee – we mogen weer”, klinkt het opgewekt. Hij houdt zijn magneetpas voor het draaihek en stapt dan het terrein van Opel op. Hij draait zich nog even om en zwaait naar een kennis op straat. De middagploeg van Opel is begonnen.

Rectificatie / Gerectificeerd

Opel

In het artikel Gaat het slecht met Opel, gaat het slecht met Duitsland (19 november, pagina 14) staat dat de Duitse autofabrikant Wartburg failliet ging. Dat was Borgward.