Donorlanden overtreden eigen regels

Ondanks miljarden aan noodhulp blijven bij grote rampen miljoenen mensen van hulp verstoken, omdat donorlanden zich niet aan hun eigen regels houden. Dat blijkt uit onderzoek.

Juist nu hulorganisaties vrezen dat zij door de financiële crisis minder geld zullen krijgen, komt de manier waarop hulpgeld besteed wordt opnieuw onder vuur. De meeste noodhulp die rijke landen geven bij natuurrampen en andere crisissituaties wordt niet verleend volgens de regels en afspraken die daarvoor bestaan. Miljoenen mensen krijgen daardoor niet de hulp die ze dringend nodig hebben.

Dat blijkt uit een groot onderzoek van de onafhankelijke organisatie DARA, die de kwaliteit van hulp tegen het licht houdt. De organisatie is opgericht nadat bij een aantal humanitaire rampen, zoals de tsunami eind 2004, grote bedragen niet goed terecht bleken te komen. Het onderzoek is gebaseerd op veldonderzoek in 11 crisisgebieden en 350 interviews met medewerkers van organisaties die hulpgelden ontvangen.

Afgelopen jaar hebben de donorlanden weliswaar 8 miljard dollar besteed aan noodhulp, aldus DARA, maar in veel gevallen niet volgens de uitgangspunten waarover zij het in 2005 onderling eens zijn geworden. Zo laten zij zich bij hulpverlening nog te vaak leiden door hun eigen politieke, economische en militaire motieven. Ook doen ze afbreuk aan de effectiviteit van hun hulp door zich in crisissituaties lang niet altijd neutraal op te stellen.

„Onze grootste zorg is nu of de donorlanden, ondanks de economische crisis, wel geld blijven uittrekken voor humanitaire hulp”, zegt Philip Tamminga, de Canadese leider van het onderzoek, dat vandaag in New York wordt gepresenteerd. „Maar generositeit is niet genoeg, het gaat ook om de kwaliteit van de hulp.”

Zijn organisatie heeft de effectiviteit vergeleken van de hulp van 22 landen en de Europese Commissie, in een zogenoemde Humanitaire Respons Index. Zweden, Noorwegen en Denemarken staan daarin bovenaan, gevolgd door Ierland en de Europese Commissie. Nederland staat op de zesde plaats (twee plaatsen lager dan vorig jaar), de Verenigde Staten op de vijftiende en Frankrijk op de twintigste plaats.

Nederland krijgt hoge cijfers voor onder meer generositeit, samenwerking met hulporganisaties en reactiesnelheid. Minder goed scoort Nederland bij: versterking van lokale gemeenschappen, neutrale opstelling in conflictsituaties en in de praktijk brengen van internationaal humanitair recht – waar Nederland op de achttiende plaats staat. Volgens Tamminga heeft dat te maken met de moeilijke omstandigheden in een land als Afghanistan, waar hulpverleners al snel worden gezien als partij in het conflict, wat ten koste kan gaan van hun effectiviteit.

In een reactie stelt minister Koenders van Ontwikkelingssamenwerking dat Nederland „het nog steeds goed [doet] op het terrein van humanitaire hulp”. Ook stelt hij: „Nederland is een groot pleitbezorger van het internationaal humanitair recht en geeft een jaarlijkse bijdrage van 25 miljoen euro aan het Internationale Comité van het Rode Kruis.”

De relatief lage positie op de index van de Verenigde Staten, in geld gemeten de belangrijkste donor, is terug te voeren op de slechte score van de Amerikanen op het gebied van mensenrechten en internationaal humanitair recht, en de verwevenheid van hulp met andere doelstellingen van de VS.

De onderzoekers concluderen dat donorlanden zich meer moeten inspannen om na te gaan waar hun hulp het hardst nodig is. Ook zouden ze lokale initiatieven meer moeten steunen, en zich meer moeten richten op de effecten op lange termijn.