Meer abortus na 20-wekenecho

Het aantal vrouwen dat in het ziekenhuis een abortus laat plegen tussen de 20ste en 24ste week van de zwangerschap is in twee jaar tijd sterk toegenomen. In 2007 ging het om 227 abortussen, een stijging van 62 procent ten opzichte van 2005. Dit blijkt uit de Jaarrapportage 2007 van de Wet afbreking zwangerschap, die de Inspectie voor de Gezondheidszorg vorige week heeft gepubliceerd.

Het gaat in de 20ste tot 24ste week om vrouwen van wie de foetus een afwijking blijkt te hebben als spina bifida (open rug), een waterhoofd of een schisis (open lip of gehemelte). Die afwijkingen worden ontdekt op de echo bij 20 weken zwangerschap die alle zwangere vrouwen sinds begin vorig jaar krijgen, tenzij ze dat echt niet willen. Voorheen heette zo’n echo een ‘pretecho’ – veelal gebruikt om te zien of het een jongen of meisje was – en werd die niet vergoed. De Inspectie schrijft: „Het is aannemelijk dat deze stijging in de ziekenhuizen gerelateerd is aan de invoering van het structureel echoscopisch onderzoek (SEO), een screeningsonderzoek rond 20 weken zwangerschap.”

De stijging van het aantal zwangerschapsafbrekingen na de 20-wekenecho kan worden beschouwd als goed nieuws, zegt gynaecoloog Gerda Zeeman van het Universitair Medisch Centrum Groningen desgevraagd. „Het blijft een trieste gebeurtenis als je het leven moet beëindigen van een foetus, omdat hij een ernstige afwijking heeft. Maar hoe eerder in de zwangerschap zulke afwijkingen worden ontdekt, hoe beter.”

Abortus ná 24 weken zwangerschap is strafbaar in Nederland, omdat een foetus vanaf die ‘leeftijd’ levensvatbaar kan zijn. De negen privéklinieken die ook abortus mogen plegen na 13 weken zwangerschap, houden meestal 22 weken aan als uiterste grens, omdat zelden zeker is wanneer een kind is verwekt. Veel afwijkingen kunnen pas worden gezien na 20 weken. Vandaar dat de beslissingstermijn, tussen 20 en 24 weken, is bevochten door gynaecologen.

Vorige week bleek uit het eerste jaarverslag van de Commissie Late Afbreking Zwangerschap (ná 24 weken) dat artsen vorig jaar slechts drie gevallen van late zwangerschapsafbreking hebben gemeld. Van levensbeëindiging bij pasgeborenen waren bij de commissie geen meldingen binnengekomen, terwijl daar in het verleden elk jaar wel melding van werd gedaan bij het Openbaar Ministerie.

De commissie – drie artsen, een jurist en een ethicus – zei vorige week dat niet duidelijk is waarom zij niet of nauwelijks meldingen ontvangt. Een mogelijke verklaring is de invoering van de 20-wekenecho. „Afwijkingen worden daarmee vaker en eerder gedetecteerd en de zwangerschap kan nog vóór de duur van 24 weken worden afgebroken. Zwangerschapsafbreking tot 24 weken, onder de voorwaarden gesteld bij en krachtens de Wet afbreking zwangerschap, is niet strafbaar en behoeft niet te worden gemeld bij de commissie.”