'Ik ben een amuseur'

Ook in De hoedenwinkel, over een vrouw, een winkel en straatnamen, laat K. Schippers vreemde dingen gebeuren.

‘Ik wilde in dit boek de taal laten uitvallen, zoals het licht kan uitvallen.’

Schrijvers krijgen veel verzoeken. Sommige zijn groot, andere zijn klein. Zo werd K. Schippers, winnaar van de P.C. Hooftprijs 1996 en de Librisprijs 2006, gevraagd om in een Arnhemse woonwijk-in-aanbouw de straatnamen te bepalen. „Ik heb daar even over nagedacht en toen besloot ik: nee. Je komt in een merkwaardige situatie terecht. Misschien bevalt de architectuur je helemaal niet, maar moet je er toch een naam aan geven.” De gedachte aan het project liet Schippers echter niet meer los. „Het geven van een naam aan een straat is een mooi gegeven, je voelt dat er iets mee te doen is.”

Wanneer je de bandopname afluistert van een gesprek dat je zelf hebt gevoerd, gaan je kleinigheden opvallen. Hoe vaak een woordje als ‘gevoel’ of ‘voelen’ de zinnen van K. Schippers binnensluipt. Of met hoeveel detail hij vertelt, bijvoorbeeld over de hoedenwinkel die jarenlang bij hem om de hoek in Amsterdam was gevestigd. „Die zat in het pand waar nu de kapper zit – een dure kapper. De Van Baerlestraat was heel anders; er zaten chique kledingwinkels, echte haute couture en een hoedenwinkel. De hoeden stonden daar op van die standaards. Als je naar binnen keek... Ik keek vaak door het raam terwijl ik langsliep, dan dacht ik: wat een mooi licht hangt daar. Soms zag je een oudere vrouw naar binnen gaan. Zo werkt het vaak: er is bij een locatie niet een speciaal verhaal, maar je voelt dat er iets geheimzinnigs aan zit.”

Hoedenwinkel en straatnaamverzoek vormen samen de kern van Schippers’ nieuwe roman, De hoedenwinkel, opvolger van het twee jaar geleden verrassend met de Librisprijs bekroonde en vervolgens tot bescheiden bestseller uitgegroeide Waar was je nou?. Hoofdpersoon van De hoedenwinkel is Sonja, een verkoopster in een warenhuis die besluit voor zichzelf te beginnen – in hoeden. Terwijl haar eigen zaak (‘De hoedenwinkel’) op het punt van openen staat, krijgt ze het verzoek om in een naburige nieuwbouwwijk de straten van namen te voorzien. Schippers: „Dat idee is het begin van het moment waarop je voelt dat je misschien beet hebt.”

Wat de schrijver beet heeft is een vertelling die even merkwaardig is als typerend voor zijn werk. Want de vrouw loopt vast. Het is, schrijft Schippers, alsof de ruimte zich verzet, alsof de straten geen naam willen hebben. Bovendien verdwijnen er woorden van borden, verschijnen er merkwaardige teksten op de muur van een huis. De taal lijkt te zijn uitgevallen.

De personages van de roman vermoeden dat het een eindexamengrap is. „Mensen proberen iets wonderlijks altijd te temmen tot iets eenvoudigs”, volgens Schippers. „Iets wat je licht aan het denken zet, waarna je weer kunt doorlopen.”

De roman gaat in werkelijkheid over iets groters. „Ik wilde de taal laten uitvallen, zoals het licht kan uitvallen. Het draait om het verzet van de locatie tegen de taal. De ruimte schudt de woorden van zich af. Ik heb in deze roman geprobeerd om de ruimte het volle pond te geven, er een soort personage van te maken. Eigenlijk heb je het nooit over de ruimte, je zegt nooit: ik heb een mooie ruimte gezien.”

De ‘taaluitval’ in de roman leidt ertoe dat Sonja, de verteller, in de loop van het boek ook niet meer op de taal vertrouwt en het verhaal met behulp van foto’s gaat vertellen. „Foto’s zijn in mijn werk natuurlijk niet nieuw”, zegt Schippers. „De roman Poeder en wind eindigt met een catalogus van foto’s. Nu wilde ik het verhalend gebruiken. Dit boek is een fantasie, een fantastische vertelling. Daarin kun je je veel veroorloven.”

Schippers wilde zijn fantastische vertelling zo speels mogelijk houden. „Ik ben een amuseur, ik wil vermaken. Mensen moeten kunnen genieten van een verhaal over ruimte en taal. De liefde komt ook in het boek voor – als een soort anker.”

Het terugkerende thema van De hoedenwinkel is het tekortschieten van taal, bij de benoeming van straten, maar ook in gesprekken tussen mensen in de roman. Toch is dat een conclusie die Schippers zelf liever niet trekt. „Als jij dat eraan overhoudt, vind ik het prima, maar ik zou het zelf nooit zo zeggen. Ongetwijfeld zit dat element erin, maar je moet het niet kapot analyseren. Het moet een verhaal blijven. Als dit boek gaat over de ontoereikendheid van de taal, dan toch op een vrolijke manier.”

De ‘taaluitval’ in De hoedenwinkel staat niet alleen. Schippers heeft eerder vreemde dingen met de taal laten gebeuren. In zijn roman Zilah koopt een vrouw de taal voor twee gulden vijftig, in Eerste indrukken liet hij het verhaal vertellen door een meisje van drie. „Dan geef je de taal aan iemand die daar eigenlijk nog te jong voor was. Net als in dit boek hoop je dat als je de dingen onder druk kunt zetten, ze iets prijsgeven dat je anders niet ziet.”

Zijn romans kun je zien als proefopstellingen. „Ik houd ook van films als Being John Malkovich waarin mensen door een tunnel in het hoofd van John Malkovich komen of The Truman Show [waarin iemand zonder het te weten opgroeit als karakter in een soapserie, red.]. In dat sprookjesachtige voel ik me thuis, ik begrijp meteen dat iemand zoiets wil maken. Je zoekt een mogelijkheid om iets te schrijven dat mensen verbaasd doet staan en dat een schijn van realisme heeft. Want je moet alles wel zo realistisch mogelijk kunnen oproepen. In het begin sta ik als een polsstokhoogspringer te kijken naar het plan voor een boek. Hoe hoog ligt de lat? Ga ik dit halen?”

De hoofdpersoon van De hoedenwinkel moet woorden bij de wereld zoeken, wat haar in zekere zin een schrijver maakt, maar dat idee wijst Schippers resoluut af. „Nee, ik vind haar absoluut geen schrijver. Als ze een schrijver was geweest, had ze veel eerder gezien dat de opdracht problematisch was. Ze komt juist vrij blanco in de wereld van namen en dingen. Deze Sonja heeft geen idee waar ze aan begint. Ze neemt het project wel heel ernstig. Daar houd ik van. Ze ziet iemand een restje tabak van de lip van zijn vriendin vegen en vraagt zich af hoe je een plein moet noemen waar zoiets gebeurt. Geleidelijk krijgt ze een notie van de ruimte tussen de straten en de onmetelijkheid van de ruimte.”

Het liefst praat Schippers over de details in zijn boek, zoals een papiertje dat Sonja oppikt in een winkel, vol met de proefkrassen die mensen met een nieuwe vulpen maken. „Zo’n papiertje fascineert me. Het is vergelijkbaar met die straten die geen naam hebben. Monet kon in de begintijd van het impressionisme heel mooi met een paar stippen iets schilderen, zodat het leek dat hij het had vastgelegd vóórdat zijn blik zich eraan had gehecht. Dat heb ik altijd bijzonder gevonden. Het heeft iets moois als iets nog niet is benoemd, als iets nog niet helemaal vast staat. De benoeming maakt het niet per se minder interessant, maar het gebied wat daarvóór ligt is heel spannend.”

Of, zoals in De hoedenwinkel staat: ‘Waarom moet je dit weinige met woorden belasten?’ Schippers: „In die termen kan ik er makkelijker over praten dan aan de hand van grote woorden als de ontoereikendheid van de taal. Al blijft de paradox hetzelfde: je schrijft een boek over de uitval van de taal, maar zonder woorden gaat het niet.”

K. Schippers: De hoedenwinkel. Querido, 212 blz. € 18,95