Drama en komedie

Om drie redenen had mevrouw Vogelaar als minister mijn sympathie. 1. Zij was een verademing na het genante optreden van haar voorgangster Verdonk, die er een sport van maakte zowel bevolkingsgroepen als de Tweede Kamer te schofferen. 2. Zij heeft geprobeerd de hysterie uit het integratiedebat te halen. 3. Zij benaderde integratie primair als een sociaal en emancipatorisch vraagstuk in plaats van als een verbeten Kulturkampf.

Misschien is het ook nog wel sympathiek dat zij niet handig opereerde. Maar daar moet een minister natuurlijk wel toe bij machte zijn, dus op haar conduitestaat is dat geen pluspunt. En dan heb ik het niet over haar weinig mediagenieke optreden of haar schijnbare weerloosheid tegen de bloeddorstige campagnes van De Telegraaf en andere.

Een politicus hoeft niet iedereen te overtuigen of te behagen, maar kan het niet stellen zonder politieke steun. Vogelaar is niet bij machte geweest, althans bij een substantieel deel van de publieke opinie, duidelijk te maken wat haar inzet was, zij is er niet in geslaagd haar stempel te drukken op het debat in de PvdA waaraan zij gisteren in deze krant – als mosterd na de maaltijd – alsnog een bijdrage leverde.

Ineens stak er een dolk in haar rug. Had zij die met voorbedachten rade gepleegde politieke moord niet kunnen zien aankomen? Had zij dan geen enkele verdediging in de PvdA kunnen organiseren? Dan was zij inderdaad ongeschikt als minister, die immers niet alleen voor een beleid moet staan, maar ook draagvlak moet creëren om het uit te voeren en een juiste inschatting van de krachtsverhoudingen moet kunnen maken.

De afzetting van Vogelaar verliep niet chic, niet elegant, niet democratisch, niet transparant en is staatsrechtelijk twijfelachtig. De leiding van de PvdA, die zich in een directiekamer waant waar over een minister als een politieke bediende wordt beschikt, heeft zich gedragen als een stel samenzweerders. Mevrouw Hamer, de fractievoorzitter, is een volgzame loopjuffrouw, mevrouw Ploumen een veredelde directiesecretaresse, de nieuwe minister Van der Laan deed mee aan het achterbakse gedoe. Niet fraai allemaal, maar de eerlijkheid gebiedt te erkennen dat Vogelaar als minister heeft gefaald. Oók omdat niemand van haar partijgenoten haar heeft verdedigd toen zij het favoriete mikpunt bleek van rechts en extreem-rechts. Van je vrienden moet je het hebben.

Blijkens haar opiniestuk van gisteren verwijt de ex-minister partijleider Bos dat hij teveel kiest voor de ‘harde’ lijn van Aboutaleb en Marcouch en te weinig waardering heeft voor andere PvdA-bestuurders die resultaten behalen met „opvoedambassadeurs”, „een multicultureel centrum dat onderdak biedt aan vijf migrantenkerken” en „aparte zwemles voor migrantenvrouwen”. Dan kan Vogelaar wel Obama als lichtend voorbeeld aanroepen, maar dit verweer (zwemles versus het in de kraag grijpen van crimineeltjes) ontstijgt het dorpsniveau niet. In ieder geval schiet het tekort als antwoord op het groepsdenken, het rechtse populisme, het nieuwe nationalisme, aangewakkerd door de onhandelbaarheid van groepen losgeslagen Nederlands-Marokkaanse en Nederlands-Antilliaanse jongeren.

Het lijkt wel alsof PvdA-politici allemaal acteren in een film van Eddy Terstall. Laatst zag ik zijn komedie Vox Populi. Wel aardig, die film, maar het verhaaltje is nogal oubollig. Een doorgewinterde politicus van een progressieve partij snapt ineens dat een appèl aan het ‘gezonde volksgevoel’ stemmen oplevert en gaat de platte boender uithangen. Dit leek me een al te gemakzuchtige – en voor politici beledigende – oefening in de verloochening van de eigen politieke overtuiging. Het is alsof iemand als het Kamerlid Spekman (PvdA) ineens gaat pleiten voor het vernederen van Marokkanen, dat is toch ondenkbaar?

De politicus in de film raakt onder de invloed van een ‘volkse’ familie van gemoedelijke racisten, slimme, niet ongevoelige, maar wel primitieve ‘Jordanezen’ – de Jordanees staat hier voor de anarchist aan de onderkant – die lekker scheldt en tiert tegen buitenlands tuig en wat dies meer zij. De partij van de tot het populisme bekeerde politicus overtroeft de extreemrechtse concurrentie. Uiteindelijk stapt de held uit de politieke slangenkuil, zijn partij als grootste achterlatend.

De boodschap luidt dat het gaat om de stemmen en de baantjes, die politici alleen kunnen verwerven door hun oren naar de vox populi te laten hangen, niet door de eigen opvattingen met voldoende overtuigingskracht uit te dragen en het eigen programma te realiseren. Amusant, mijn enige bezwaar is dat de personages nogal vlak blijven en alleen maar model staan voor schetsmatige opvattingen of het ontbreken van opvattingen. Je denkt: dit is bedoeld als een karikatuur van de PvdA. Maar misschien is het omgekeerd en speelt de PvdA het simpele scenario van Terstall na in de werkelijkheid.

In dit draaiboek is populisme een zaak van toffe kankeraars met het hart op de goede plaats. Maar Terstall verkent niet (evenmin als Bos, evenmin als Vogelaar) het probleem op welk moment de ‘Jordanees’, die zelfbewuste, zijn eigen identiteit verdedigende lieve klootzak, een rancuneuze fanaticus wordt, vatbaar voor de gesel en de pest van nationalisme en vreemdelingenhaat. Waar slaat de prettige zure mopperaar om in een verbeten uitvoerder van bevelen die andere mensen en de democratie in doodsgevaar kunnen brengen?

Het antwoord op deze vraag moet Wouter Bos geven. Hij kan wel een in de publieke opinie niet scorende, in zijn ogen te softe, minister de laan uitsturen, hij kan wel meegaan met roepen om hard, harder en hardst optreden, hij kan wel polarisatie entameren, maar denkt hij werkelijk dat de extreme krachten in de samenleving genoegen nemen met Vogelaar als zoenoffer voor alle rancune? Dan is hij nog naïever dan Terstall en Vogelaar samen.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/etty