Allfinanz: wonderkind of total loss

Moet banken, zakenbanken en verzekeraars weer los van elkaar komen te staan? Financiële conglomeraten blijken hun voor- en tegenstanders te hebben.

Moet de financiële sector uit elkaar worden getrokken? Dat was vorige week de vraag. Banken, zakenbanken en verzekeraars die de afgelopen decennia zijn samengeklonterd tot grote conglomeraten, zouden elkaar minder besmetten als ze juist apart opereren. Hoog tijd voor een wereldwijde Glass-Steagall Act, naar de Amerikaanse wet die in de jaren dertig van de vorige eeuw gewone banken en zakenbanken van elkaar losmaakte.

Het voorstel kan rekenen op uitgesproken voor- en tegenstanders. Harry Garretsen, hoogleraar aan de RU Groningen, vindt het een interessant idee. „Zonder direct te willen pleiten voor een terugkeer naar de dagen van de Glass-Steagall Act, lijkt het mij alleszins de moeite waard na te denken over aanpassingen in het financiële systeem waarbij meer traditionele banken depositogelden aantrekken en (illiquide) leningen verstrekken door de overheid in zekere mate worden beschermd. Onder dit systeem van narrow banking zijn de zakenbanken het terrein voor de professionele gelukszoekers die begrijpen dat bij een hoger rendement ook een hoger (eigen) risico hoort.” Zelfs als dit een wat minder efficiënt financieel systeem oplevert, denkt Garretsen, is dit een redelijke prijs voor een structurele verbetering van de financiële stabiliteit. „Was een dergelijk voorstel maar bij de G20-top in Washington ter sprake gekomen, dan hadden we tenminste een concreet voorstel op tafel gehad. Wat nu rest na het G20-samenzijn lijkt op het eerste gezicht niet veel meer dan de belofte om eind april 2009 verder te praten.”

Harry van Dalen, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, is het daar gedeeltelijk mee eens. „De stilzwijgende gedachte is dat conglomeraten de grote aanstichters zijn van de kredietcrisis en dat zij te veel risico hebben genomen in hun beslissingen. Daar valt wat voor te zeggen, maar het is wel een open vraag en vooral een empirische vraag: hoe gedraagt een conglomeraat zich of zijn er andere zaken in de praktijk die een grotere rol spelen? In theorie valt er niet uit te komen of de stelling klopt dat conglomeraten meer dan wel minder risico op zich nemen vergeleken met een eenpitsbank.”

In beginsel, vindt Van Dalen, kunnen conglomeraten juist schaalvoordelen creëren en stabiliserend werken. „Dan vormen zij een staat binnen de staat. De keerzijde is dat ze ook zich te riskant kunnen gaan opstellen en destabiliserend werken doordat overheidsgaranties moreel riskant gedrag oproepen of omdat er een beloningscultuur ontstaat die risicozoekend gedrag mogelijk maakt.”

De slotconclusie zou volgens Van Dalen moeten zijn „dat bestuurders en toezichthouders de voorwaarden waaronder een conglomeraat goed kan functioneren uit het oog hebben verloren. Men is in de loop der tijd te groot geworden en wanneer je te groot wordt denk je dat je onverslaanbaar bent. En wanneer een instelling te groot wordt kan het een systeemrisico gaan vormen. En dan kan de conclusie luiden die de Amerikaanse senator Bernie Sanders in september van dit jaar uitsprak: ‘If it is too big to fail, it is too big to exist’.”

Marcel Canoy, chief economist van onderzoeksinstituut Ecorys en hoogleraar zorgeconomie te Tilburg, hekelt al te snelle en eenvoudige conclusies. „Achteraf is altijd makkelijk praten. Nu moeten we maar weer massaal gaan ontvlechten. In de financiële dienstverlening is het steeds moeilijker onderscheid te maken tussen beleggen, sparen en verzekeren. Dat maakt dat er natuurlijke synergie ontstaat tussen banken en verzekeraars.”

Dat heeft volgens Canoy weinig te maken met een ‘grootheidswaanzinnige fusiegolf’. „Een aantal van de recente financiële innovaties is wel degelijk welvaartsverhogend geweest waardoor grote groepen mensen kredieten konden krijgen die ze eerst niet konden krijgen. En inderdaad, in een aantal gevallen met onaanvaardbare risico’s. Dam die risico’s dan in, maar gooi niet de baby met het badwater weg.”

Canoy wordt bijgestaan door zijn collega-hoogleraar Henriette Prast, die en passant schetst hoe het samenklonteren van bankieren en verzekeren in Nederland is ontstaan. „De oplossing zit hem niet in het uit elkaar halen van bank-, verzekerings- en overige activiteiten,” zegt zij. „Als er iets welvaart heeft gecreëerd en het potentieel heeft om nog meer welvaart te creëren, en dat vooral voor de gewone man, is het wel de financiële technologie die verschillende typen titels met elkaar weet te combineren. De combinatie van functies is vooruitgang. Conglomeraten afschaffen omdat we nu besmetting zien is zoiets als hypotheken afschaffen omdat we een hypotheekcrisis hebben.”

Wat moet er dan wel gebeuren? „Ervoor zorgen dat het systeem niet van één instelling afhankelijk is, is een mogelijke oplossing”, vindt zij. „Dat betekent kleine banken, verzekeraars, bank-verzekeraars. Dat is de oplossing die Casper de Vries uit Rotterdam [hoogleraar monetaire economie aan de Ersamus Universiteit, red.] al jaren aandraagt. Efficiencyverlies? Zou kunnen, maar dat grote schaal niet automatisch leidt tot efficiency leert de geschiedenis van, alweer, onze eigen ABN Amro. Nadeel van schaalverkleining is dat een kleine instelling de wereldzee niet kan bezeilen en daarvoor is weinig draagvlak. Een veel productievere denkrichting is het loskoppelen van de link tussen rekeninghouders en beleggers. Bij Fortis roken beleggers onraad en liepen ze weg. Rekeninghouders zagen dat en volgden, wat weer leidde tot meer beleggers die de handdoek in de ring gooiden. Kuddegedrag en paniek kunnen we niet voorkomen, maar als een bank een coöperatie is en dus geen aandeelhouders heeft is er in elk geval een minder groot besmettingsgevaar tussen beurs en rekeninghouders. Willen we komen met institutionele wijzigingen, dan is dit de eerst aangewezen weg om te onderzoeken.”

Maarten Schinkel

NRC Handelsblad werkt voor deze rubriek samen met de website MeJudice, www.mejudice.nl

Lezers kunnen reageren op de bijdragen van Maarten Schinkel op nrc.nl/schinkel.