Talibaan hebben ook een mond

Tienduizenden militairen vechten tegen de Talibaan.

Maar je kunt veel beter met ze samenwerken. Daarvoor moeten we ons beeld van de vijand wel eerst nuanceren.

Zo’n 70.000 NAVO- en Coalitietroepen bevechten in Afghanistan een leger ‘rebellen’, waarvan we aantal en samenstelling niet goed kennen. Daarbij zijn in 2008 tot nu toe 4.000 doden gevallen, onder wie 1.500 burgers die met die strijd niets te maken hadden.

De Afghanen, moe van voortdurend geweld en onzekerheid, zijn teleurgesteld in het tempo van wederopbouw en boos over de steeds verslechterende veiligheid. Vooral in de oostelijke en zuidelijke provincies groeit de heimwee naar de periode dat de Talibaan voor een minimum aan rust zorgde. Is dat goed nieuws? Nee.

En toch is er goed nieuws. Het besef begint namelijk langzaam door te dringen dat we moeten onderhandelen met de Talibaan om een doorbraak in het vredesproces te forceren. President Karzai van Afghanistan vroeg al op 30 september steun aan de Saudi-Arabische regering om het gesprek te openen met de Talibanleider Mullah Omar. Vorige maand nam het Pakistaanse parlement een motie aan waarin vredesbesprekingen tot prioriteit werden verklaard, waarna in Islamabad een beraad werd belegd tussen Afghaanse en Pakistaanse tribale leiders, geestelijken en overheidsvertegenwoordigers om een strategie voor vredesbesprekingen vast te stellen.

Hoe kan dat? Hoe kun je onderhandelen met de grootste vijand? Onze militaire missie in Afghanistan is er toch juist om het absolute kwaad te keren. We weten niet beter of we strijden daar niet alleen tegen de terreur en we zorgen daar niet alleen voor de Afghanen, we dragen ook bij aan de beschaving door te vechten tegen de barbarij. Dat maakt onze inspanning nobel.

Ons beeld van de barbaarse Talibaan is opgebouwd uit elementen als het ruige Afghaanse landschap, exotische tradities van wilde ruiters die een dood dier in het stof aan stukken scheuren, in boerka’s gehulde vrouwen, bloedwraak en sharia.

In onze ogen zijn de Talibaan middeleeuwse barbaren die vrouwen haten, monomane fundamentalisten, kwaadaardige fanaten die denken in lijfstraffen. We zien hen als mensen die een taal spreken waarin het woord ‘compromis’ niet bestaat.

Precies dat beeld moet worden doorbroken. We moeten de Talibaan gaan zien als een groepering waar we niet omheen kunnen. Het idee dat we met hen zouden moeten onderhandelen is al zonder meer de belangrijkste doorbraak sinds het begin van de strijd in 2001. Maar om het ook daadwerkelijk te kunnen doen, moet ons beeld van hen nog veranderen.

Wie zijn de ‘echte’ Talibaan met wie we de onderhandelingen moeten openen dan wel?

Voor de Afghanen zijn de Talibaan geen demonen, maar oude bekenden uit een traditionele cultuur. De ‘echte’ Talibaan, dat zijn de gelovigen, de koranstudenten, die zich verzet hebben tegen het nietsontziende cynisme en geweld van de warlords in Afghanistan. Die kern bestaat uit mannen die midden in de eeuwenoude traditie van de Pashtun staan. Ze zijn een onlosmakelijk deel van de Afghaanse gemeenschap, en zonder hen zul je geen vrede kunnen bereiken. Hoewel ze weinig op hebben met westerse waarden zullen we samen met die kern de schil van ellendelingen eromheen, de terroristen en misdadigers, moeten aanpakken.

Om zonder gezichtsverlies te kunnen onderhandelen moeten militairen en diplomaten van de westerse coalitie het zelfgeschapen demonische beeld van de Talibaan eerst deconstrueren. Dat betekent een fout uit het verleden herstellen. Ze wisten immers best dat de rebellenclub bestaat uit oorlogshandelaren, heroïneproducenten, armoedzaaiers, Al Qaeda-troepen, islamisten uit het Westen en avonturiers uit de hele wereld. Om steun voor deze oorlog te vinden is echter een retoriek gebruikt die de verzamelnaam Talibaan aanduidde als synoniem voor het absolute kwaad. En daar onderhandel je niet mee.

Het idee om het beeld van de vijand te nuanceren, bestaat al bij de Amerikaanse generaal David Petraeus, zoals we konden lezen in nrc.next van 7 november. Zijn idee is om voorzichtig het beeld af te pellen van de gruwelijke Talibaan en om onderscheid te maken tussen de lokale, traditionele Pashtun en de rest van de ‘rebellen’. Het is mijns inziens net zo briljant als toen grote namen als de Britse ambassadeur Cowper-Coles, de ‘senior British commander’ Mark Carleton-Smith, de Britse held van Bosnië General Michael Rose ons hebben laten wennen aan het idee dat ‘de oorlog niet gewonnen kan worden’.

Het moet echter niet bij een enkel idee blijven. Hoe eerder er onderhandeld kan worden hoe beter. Maak onderscheid tussen de traditionele bevolking van Afghanistan en de internationale ‘coalitie van het kwaad’. Dan kunnen we pas ernst maken met lokaal zichtbare wederopbouw.

Het angstaanjagende aantal internationale militairen moet worden teruggebracht. We moeten de oorlog aangaan met de internationale elementen door een contraterrorisme-strategie in te zetten, die ook op de Filippijnen en in Indonesië succesvol is geweest in de aanpak van terreur. De ‘big army’-aanpak werkt alleen als een rode lap op een stier.

Een slimmere inzet van militaire middelen tegen een correct gedefinieerde vijand spaart de levens van burgers. In een rustiger Afghanistan kan dan echt gewerkt worden aan wederopbouw waar de bevolking zo hard aan toe is.

Willem van de Put is directeur van HealthNet TPO, een ontwikkelingsorganisatie die sinds 1994 werkt aan de wederopbouw van gezondheidszorg in Afghanistan.

Op woensdag 19 november 20.00 uur is er in het Utrechts debatcentrum een debat over onderhandelen met de Talibaan. Met o.a. René Grotenhuis (Cordaid), Hero Brinkman (PVV) en Harry van Bommel (SP). Reserveren op tumultdebat.nl