Sancties belemmeren de wetenschap

Of het nu gaat over nanotechnologie of stamcelonderzoek, Iran heeft wetenschappelijke ambities. Het wachten is op een Nobelprijswinnaar.

Verbaasd stapt Burton Richter, Nobelprijswinnaar, natuurkundige en Amerikaan, het auditorium van de prestigieuze Sharif-universiteit in Teheran binnen. Honderden Iraanse studenten zijn uit hun stoelen opgestaan om joelend en klappend hun Amerikaanse gast te verwelkomen. Maar Richter zegt dat hij de studenten een applaus zou moeten geven.

„De studenten hier zijn ongelooflijk”, zegt hij over het niveau van de universiteit. „Ik verwacht heel veel van jullie te horen in de toekomst.” De jonge mannen en vrouwen met laptops giechelen.

Richter, emeritus hoogleraar van de Stanford universiteit in Californië was in mei in Teheran voor een academisch uitwisselingsprogramma tussen Iraanse en Amerikaanse universiteiten. „Hij is een voorbeeld voor ons”, zegt Ismael Hosseini, een 23-jarige student elektrotechniek. „Maar binnenkort zal ik naar een Iraanse wetenschapper kunnen luisteren die een Nobelprijs heeft gewonnen”, zegt hij. „We studeren allemaal hard om deze eer te verkrijgen.”

De vastbeslotenheid van Iran om een nucleair programma te ontwikkelen maakt deel uit van een breder streven land om technologisch zelfvoorzienend te worden. Maar critici zeggen dat de overheidssteun onregelmatig is, en dat veel doelstellingen niet worden gehaald.

„Iedereen in Iran wil dat zijn kinderen naar de universiteit gaan. Stap in een taxi in Teheran en de bestuurder zal zeggen dat dit zijn tweede baan is om zijn kinderen naar de universiteit te kunnen sturen”, zegt Hashem Raffi-Tabar, hoogleraar aan een onderzoeksinstituut in Teheran. Zes jaar geleden keerde hij terug naar zijn geboorteland om daar een afdeling voor onderzoek naar nanotechnologie op te zetten voor een consortium van negen universiteiten. „We hebben grote ambities”, zegt hij. „Nu al zijn we de nummer 1 in nanotechnologie in de regio, qua niveau misschien alleen te vergelijken met Israël.

„Deze ambities zie je terug in onze geschiedenis,” zegt Raffi-Tabar. Iraanse geleerden hebben een lang verleden van ontdekkingen in de natuurwetenschappen, wiskunde en filosofie. „Wetenschap is gewoon erg belangrijk voor ons.”

Ook voor de regering van president Ahmadinejad, die het nanoproject volledig ondersteunt. In mei werd een groot supercomputercentrum voor nanotechnologie geopend in Teheran. Maar wetenschappelijke projecten in Iran hebben vaak een vliegende start en gaan later als een nachtkaars uit. „We waren groot in informatietechnologie, maar we hebben nu nog steeds buitenlandse software nodig voor onze geldautomaten”, zegt Raffi-Tabar. Toch wordt succes in nanotechnologie geclaimd. Biomedici zeggen dat ze grenzen verleggen in stamceltechnologie.

Op de Sharif technologische universiteit worden de beste studenten onderwezen. Ieder jaar doen 1,5 miljoen jonge Iraniërs mee aan het nationale examen, het kunkurs, voor toelating tot de staatsuniversiteiten. Van de 500.000 die het halen, mogen de eerste 800 naar Sharif. De meesten – vooral doctoraal studenten – worden vervolgens gelokt door werkgevers of universiteiten in Australië, Canada en de VS.

„Onze bezoekers zijn vaak verbaasd als ze onze moderne laboratoria en vrouwelijke onderzoekers zien. Vaak hebben ze een heel ander beeld van Iran, niet als een academisch land”, zegt Abdolhassan Vafai, hoogleraar aan de Sharif-universiteit. „Hier onderwijzen we onze studenten problemen op te lossen die de hele mensheid treffen, zoals honger, opwarming van de aarde en watertekorten.”

Maar in Iran worden wetenschappers ook geacht om ideologische doelen te dienen. Uitvindingen bewijzen dat het land door de revolutie van 1979 onafhankelijk is geworden. Destijds beschuldigden de revolutionairen de door Amerika gesteunde sjah Mohammad Reza Pahlavi ervan Iran industrieel, militair en technologisch afhankelijk te hebben gemaakt van de grootmachten.

Toen president Ahmadinejad in februari het eerste ruimtevaartcentrum van Iran opende, verklaarde hij dat „geen enkele macht sterker is dan de wil van Iran”. Het land zegt binnenkort zijn tweede satelliet te lanceren. De eerste is in 2005 met een commerciële Russische raket de ruimte ingeschoten. In augustus werd een proef genomen met een ruimteraket, volgens Iran met groot succes, volgens de VS een faliekante mislukking).

Tijdens de Iran-Irakoorlog (1980-1988) heeft het land geleerd dat het op eigen benen moest staan, zegt Manoucher Manteqi, directeur bij Irans grootste autoproducent, Iran Khodro. Irans F-4 gevechtsvliegtuigen stonden aan de grond wegens Amerikaanse sancties die de levering van reserveonderdelen blokkeerden. „De sancties dwongen ons om ons potentieel volledig te benutten. We verdienen nu geld aan wat we toen hebben geleerd”, legt Manteqi uit. Het staatsbedrijf produceerde in 2007 meer dan 600.000 auto’s. De kwaliteit is voldoende om ze te exporteren naar 33 landen, waaronder Turkije en Senegal. Ter vergelijking: Tata Motors uit India produceerde iets meer dan 400.000 auto’s in datzelfde jaar.

Maar er zijn zorgen over de gevolgen van de VN-sancties gericht tegen het nucleaire programma. „Die zullen onze samenwerking met andere landen beperken”, zegt Manteqi. „Maar het betekent ook dat anderen geen gebruik kunnen maken van ons potentieel. Iran heeft 1,5 miljoen auto’s per jaar nodig. Dat is een interessante markt.”

„Als het Westen ons onder druk zet wegens de nucleaire technologie, zouden ze dat in de toekomst ook met de ontwikkeling van andere technologieën kunnen doen, zegt Nader Aghdami van het Royan Stamcel instituut, dat onderzoek doet naar embryonale stamcellen. „Onze religieuze leiders hebben beslist dat we onderzoek kunnen doen op foetussen tot vier maanden oud”, zegt hij. „We wisselen informatie uit met Amerikaanse wetenschappers. Ik vind dat de wetenschap boven politiek moet gaan.” Maar toen hij een nieuwe ultracentrifuge wilde bestellen voor onderzoek, bleek dat zijn buitenlandse collega’s geen toestemming meer hadden om de machines naar Iran te sturen omdat die ook voor het nucleaire programma zouden kunnen worden gebruikt. De nucleaire centrifuges die Iran maakt kunnen echter niet voor stamcelonderzoek worden gebruikt.

Iraanse geleerden zijn betrokken bij pogingen om huidcellen te herprogrammeren in embryocellen om zo ethische problemen bij onderzoek te omzeilen, legt hij uit. „Slechts drie andere landen ter wereld – Duitsland, de VS en Japan – doen dit. Wij zijn trots dat we met de beste ter wereld de competitie aangaan.”

In de fabriek van Iran Khodro houdt de dagploeg ermee op. Maar Manteqi gaat nog niet weg. „Ik moet harder werken dan wie dan ook hier, omdat er nog steeds veel dingen fout gaan”, legt hij lachend uit. „Maar zoals wijlen ayatollah Khomeiny al zei: ‘Als we het willen, dan kunnen we het’. Als onze experts en professionals goed worden begeleid kunnen we onze ambities waarmaken; in samenwerking met andere landen, maar als het moet, ook alleen.”