Met z'n allen slechte kunst op de brandstapel gooien

Jeugdtheater

Vakman, door Theater Artemis (9+)

Regie: Floor Huygen i.s.m. de acteurs. Tekst: Josse De Pauw. Tournee: t/m 21 dec. Inl: www.artemis.nl ****

Kunst en vriendschap. Laat ze lang genoeg langs elkaar schuren, dan komt de pathetiek vanzelf wel, als de noodzakelijke zuurstof voor het streven naar een groots en meeslepend bestaan. Zo blijkt uit Vakman, een rauw poëtische voorstelling van Theater Artemis.

Op verzoek van regisseur Floor Huygen schreef de Vlaamse toneelschrijver Josse De Pauw een tekst over vier kunstenaarsvrienden, die op een zomeravond bij elkaar komen om een daad te stellen: hun slechtste werken ritueel verbranden. De terminale kanker van Vakman (Fabian Jansen), de jongste van het stel, maakt deze ‘zuiveringsactie’ noodzakelijk.

Deels geïnspireerd op interviews met kunstenaars als Karel Appel, Simon Vinkenoog en Ramses Shaffy, biedt de tekst van De Pauw een uitgebalanceerde combinatie van geëxalteerde lyriek en ontnuchterende spitsvondigheden. Hij voorziet het stuk van een ijzersterk verhalend kader. Daarbinnen laat Huygen het vooral over aan het improvisatietalent van de Vlaamse en Nederlandse acteurs. En ook dat pakt zeer overtuigend uit. In een losse speelstijl weten de acteurs het archetype van de bevlogen kunstenaar met precisie te vangen.

We bevinden ons in een ruim atelier met bedekte doeken. Drie kunstenaarsvrienden wachten op de vierde, de geliefde Vakman. Met zijn zwarte vetkuif en zijn rode leren jack doet Dree (Stefaan Degand) nog het meest denken aan een verwaaide Elvis in de laatste jaren van zijn leven. Een boom van een vent, maar al kettingrokend en nippend aan zijn heupflacon lijkt hij ieder moment omver te kunnen worden geblazen.

Haaks op zijn personage staat de oudere Mon (Bert Luppes), een succesvol ‘colorist’, irritant vitaal voor zijn leeftijd. Waar anderen rode wijn naar binnen gieten, houdt hij het provocerend op jus d’orange.

En dan is daar nog Braem (Bruno Vanden Broecke). Met zijn lange, wapperende haren en zijn zorgeloos witte kleren, roept hij het beeld op van de flierefluitende hippie. Droogkomisch, maar ook onverwacht ontroerend als hij, tokkelend op zijn contrabas, een liedje zingt.

De onderlinge verhoudingen tussen de drie zijn meteen duidelijk. Dree heeft maar één schilderij bij zich voor de rituele verbranding; Mon een kruiwagen vol. „Zoveel onzin”, mompelt hij. „Dat is te zwaar voor één man.” Dus laat hij Braem die kar duwen.

Een onderhuids machtsspel om wie de meeste liefde kan uiten voor de doodzieke Vakman houdt de voorstelling onder hoogspanning, en leidt tot komische verwikkelingen. Als Vakman dan eindelijk ten tonele verschijnt, blijkt hij, de naam zegt het al, de incarnatie van de onvoorwaardelijke liefde voor het vak.

Wanneer het laatste schilderij in de container belandt, gaat de vlam erin. Vol van zichzelf en elkaar, houden de vrienden hun adem in. Uit hun half verbrande werken zien ze een nieuw werk herrijzen. Kunst als probaat middel tegen de dood. Pathetisch ja, maar ook prachtig.

Isabella Steenbergen