London Calling biedt blik in de poptoekomst

Pop London Calling. 12 t/m 15/11 Paradiso, Amsterdam.

****

En weer waren er jongere meisjes in het publiek. En weer stonden er meer onervaren, achttienjarige muzikanten op het podium. En weer was London Calling ruim van tevoren uitverkocht. Het publiek heeft kennelijk het volste vertrouwen in organisator Ben Kamsma die telkens meer dan dertig aanstormende bands uit Engeland of met een Britse inslag in één weekend naar dezelfde plek krijgt.

Die plek is Paradiso, want alleen daar komt de menselijke mierenhoop die London Calling is tot leven. Pogingen voor een satellietfestival op andere locaties liepen op niets uit. Wel waren er dit keer twee warming-up-avonden, waarop het levendige bandje Friendly Fires donderdag voor een vroeg hoogtepunt zorgde met ontwapenende discopop.

London Calling maakt en breekt reputaties. Om maar meteen met dat laatste te beginnen: de hoge verwachtingen bij het Nederlandse podiumdebuut van de Schotse groep Glasvegas werden met veel bombarie de kop ingedrukt. Glasvegas verloor zich in een veel te hard, overdadig galmend geluid en een megalomane podiumpresentatie, waarbij zanger James Allan letterlijk en figuurlijk niet achter zijn zonnebril vandaan kwam. Alleen een handvol meegereisde Britten zong de nummers tegen de klippen op mee; teleurgestelde Nederlanders verlieten in drommen de zaal.

Genoeg leuke nieuwe bands lieten zich van een gretiger kant zien. FrYars, The Hot Melts en The Pan I Am brachten een oorspronkelijk rockgeluid, terwijl de frisgewassen Magistrates de falsetfunk van Prince in een naïef nieuw jasje staken. Superfanatiek ging het tekeer bij het rocktrio Twisted Wheel dat echo’s van The Who en The Jam opriep, zonder nu meteen al even goede nummers te hebben. Vlak na elkaar speelden de Britse White Lies en het Amerikaanse White Denim, waarbij de laatste het won met een losse rocksound die de hele bovenzaal in beweging bracht.

Bromheads Jacket, The Courteeners en Late Of The Pier behoren inmiddels tot de London Calling-veteranen. Alledrie lieten ze horen hoeveel beter ze zijn geworden sinds hun eerdere optredens. Late Of The Pier zorgde voor het hoogtepunt van het festival, met priemende elektrorock die zoveel aanstekelijke songs herbergt dat de grote zaal in een grote kluwen van over elkaar vallende slamdansers veranderde.

Zangeres Ladyhawke overtuigde nog niet met haar stroeve gitaarpop. Iets beter bracht Coco Sumner het er van af met haar band I Blame Coco, hoewel haar stijl wel erg leunde op de reggaepop van haar beroemde vader Sting.

Piepjong waren de indierockers van Bombay Bicycle Club en Esser, nog maar net van school en nu al rockhelden van de toekomst. Want daarom gaan we naar London Calling. Om die ene topband nét even eerder gezien te hebben dan anderen, die er over een jaar misschien wel voor naar de Heineken Music Hall moeten.