Het orkest is een orgel bij Messiaen

Klassiek Residentie Orkest, Nederlands Kamerkoor en Nationaal Jeugdkoor o.l.v. Reinbert de Leeuw, met Ralph van Raat, piano. Gehoord: 15/11 Dr. Anton Philipszaal, Den Haag.

****

Componist Olivier Messiaen had een rotsvast geloof in God. Dirigent Reinbert de Leeuw heeft een rotsvast geloof in de muziek van Messiaen. Daarvan getuigde hij in Den Haag opnieuw indringend in concerten met alle uitersten van Messiaens werk: van het stille, ingetogen koorwerk O Sacrum Convivium (1937), waarin elke seconde de eeuwigheid leek te bevatten, tot de verpletterende fortissimo-akkoorden aan het slot van Et expecto resurrectionem mortuorum (1965).

Tijdens een panelgesprek (zonder De Leeuw, maar met pianist Ralph van Raat, organist Jan Hage en huisvriend van Messiaen Leo Samama) kwam de vraag aan de orde of Messiaens orgelmuziek dezelfde karakteristieken kent als zijn orkestmuziek. Maar tijdens de concerten bleek die vraag eigenlijk te moeten worden omgekeerd: Messiaen, heel zijn leven ook organist, benaderde juist het orkest als een groot orgel.

Het was te horen in het koper in Couleurs de la Cité Céleste (1964), dat als één blok wordt ingezet om verschillende registers neer te zetten. Of, een kleiner maar minstens even belangrijk detail, het perfect gelijkmatig uitgevoerde vibrato van de altviolen in Les Offrandes oubliées (1930). Geen expressief vibrato, maar juist een exacte zweving met een klank die lijkt op het ‘tremolo’ van veel kerkorgels.

Het Residentie Orkest, dat eerder dit jaar bij de Nederlandse Opera al furore maakte in Messiaens opera Saint François d’Assise speelde voortreffelijk, met spatgelijke vogelsalvo’s en een bewonderenswaardig volgehouden intensiteit. Vooral de slagwerksectie, die bij Messiaen altijd goed aan zijn trekken komt, maakte indruk in de hypercomplexe figuren van Chronochromie (1960) en de rituele gongslagen van Couleurs en Et expecto.

Pianist Ralph van Raat, steeds meer De Leeuws vaste Messiaenpianist, speelde licht en lenig talloze vogelzangen. Dat deed hij meestal mét het orkest, dienstbaar of prominent, maar ook als schril contrasterende interruptie bij de bedachtzame verzuchtingen van het koor in Trois petites liturgies de la Présence Divine (1944).

Het Nederlands Kamerkoor, dat dreigt zichzelf op te heffen na enorm te zijn gekort, leverde een al even uitmuntende bijdrage, zowel collectief (O Sacrum Convivium) als in de solistische passages van Cinq Réchants (1948).

In Trois petites liturgies werden de dames van het Nederlands Kamerkoor aangevuld met enkele meisjes van het Nationaal Jeugdkoor, wat de engelachtige klank ten goede kwam. Wel leken koor en orkest het onderling én intern af en toe niet helemaal eens over hoever er ná de slag van De Leeuw moest worden ingezet, wat tot enkele schoonheidsfoutjes leidde.

Die mochten echter niet verhinderen dat het werk onder leiding van een haast extatische De Leeuw eindigde in de allerhoogste tederheid, los van alle aardse beslommeringen.