De vreemde vraag van een wegwerker

Het was halverwege een doordeweekse middag.

Ik liep in Amsterdam-West op een stoep langs een drukke verkeersweg, wegens werkzaamheden aan het wegdek voor een deel afgesloten. Enkele meters vóór mij wandelde een man van een jaar of zestig, gekleed in een donkere winterjas, die in zijn linkerhand een gesloten paraplu hield en in zijn andere hand een doorzichtig tasje met een tijdschrift. Hij had weinig haast en ik begon me al af te vragen of er naast hem voldoende ruimte was voor een inhaalmanoeuvre.

Opeens klonk links van ons een luide stem. We keken opzij. Daar stond een wegwerker, een jonge, zwarte man, met allerlei gereedschap in zijn handen. Hij riep iets naar de man voor mij. We konden het geen van beiden verstaan, want de wegwerker werd overstemd door verkeersgeraas op de achtergrond. Hij probeerde het nog een keer.

„Bent u soms van de politiek, meneer?” riep hij.

De man voor mij bleef verbaasd staan. „Nee, hoezo?” vroeg hij.

De wegwerker maakte met zijn hoofd enkele verticale, monsterende bewegingen. „Omdat u er zo bijloopt”, riep hij.

De oudere man haalde bevreemd zijn schouders op. „O”, zei hij, „mooi zo.” Hij maakte een prima-gebaartje met zijn opgestoken rechterduim en vervolgde haastig zijn tocht.

Even verderop, bij de stoplichten, haalde ik hem in. We bleven even zwijgend naast elkaar staan, totdat hij mij van opzij aankeek en vroeg: „Heeft u enig idee wat die vent bedoelde?”

„We kunnen even teruglopen en het hem vragen”, zei ik.

„Laten we dat maar niet doen, je weet nooit hoe het afloopt.” Hij zei het met een lichte huiver.

Zou het zo’n vaart lopen?

Ik wist het niet. Bij mij was ook de vraag opgekomen wat die wegwerker met zijn eigenaardige formulering bedoeld had. Veel gunstigs was het niet, vermoedde ik. Er was een aantal opties.

Hij had die meneer een te chique baas gevonden, die daar maar wat liep te flierefluiten, terwijl hij zich het schompes stond te werken op deze ietwat gure, regenachtige dag. De een ’n drilboor, de ander ’n paraplu, het was slecht verdeeld op deze wereld. Een vorm van sociale rancune dus, misschien gevoed door een gevoel van raciale achterstelling?

Ik bekeek mijn buurman nog eens goed. Zó chique zag hij er eigenlijk helemaal niet uit, je kon beter zeggen: netjes, typisch een oudere man met een vrouw die goed voor hem zorgde.

Of was mijn buurman iemand die de wegwerker vaag deed denken aan een of andere politicus, en wilde hij op deze manier zijn hekel aan de politiek in het algemeen belijden? De politicus als iemand die nooit zinnig werk doet?

Het kon ook, kleine kans, dat de wegwerker een positievere bedoeling had gehad. Hij wilde tot uitdrukking brengen dat de voorbijganger een misschien wat saaie, maar keurige indruk op hem maakte.

Terwijl we naast elkaar voortliepen, hield ik de man deze mogelijkheden voor. Hij luisterde sceptisch toe en kort voor we afscheid namen zei hij met een boze braam in zijn stem: „Ik ben godverdorie veertig jaar ouder dan die knaap. Mág ik nog een keer een wandelingetje maken als het mij uitkomt?”