Balkenende en de stoelendans rond een nieuwe wereldorde

‘Ik moet wel mijn eigen stoel hebben”, zei de Spaanse premier Zapatero vorige week. Hij wilde naar de G20-top in Washington, maar had „geen zin om te staan”. Ook onze premier ijverde voor een toegangsbewijs. Naar het recept van de stoelendans op kinderfeestjes meldden zich meer gegadigden dan er zitplaatsen waren. De diplomatieke stoelenstrijd mag hilarisch overkomen, maar verraadt het historische belang van de nieuwe vergadertafel. Mondiale machtsverschuivingen kristalliseren zich uit.

Hoe groot moet de tafel zijn? Klein genoeg om een gesprek mogelijk te maken. Groot genoeg om met gezag tot de wereld, inclusief buitengeslotenen, te spreken. Vervolgens is het voor gastheer of gastvrouw een kwestie van een streep trekken.

Gastheer Bush wilde het houden bij de leden van de bestaande ‘G20’, een jaarlijks beraad van ministers van financiën en centralebankiers. Als je de deur openzet voor een G21, eindig je met een G30. De westerse industrielanden uit de G7, twaalf grote opkomende economieën en de EU, dat leek hem genoeg.

Dit zinde Spanje niet, achtste economie ter wereld, maar geen lid van de G20. In een intensieve lobby vloog Zapatero afgelopen weken naar internationale topbijeenkomsten in Beijing en El Salvador om steun van wel door Bush uitgenodigde wereldleiders te krijgen, zoals de Chinese president Hu Jintao en de Braziliaan Lula. Heel Spanje leefde mee. Bush hield de deur dicht, maar de Franse president Sarkozy bood uitkomst. Deze beschikte over vier toegangskaarten eerste rang: twee voor Frankrijk als lid van de G7 en twee voor de EU als roulerend voorzitter. Deze laatste bood hij de Spanjaard aan.

Dat kunnen wij ook, dacht men toen in Den Haag en Warschau. De Polen probeerden het rechtstreeks bij Bush, vergeefs. Onze premier koos de Europese route via Sarkozy, met succes. De doorslag gaf het pleidooi van Balkenende en Bos in Le Monde van 4 november voor opwaardering van het IMF tot mondiale toezichthouder op financiële stabiliteit, een idee naar Franse zin. Voor de zekerheid kreeg de man met de entreebewijzen een uit Nederlandse mond ongekend compliment: „De snelle en gecoördineerde respons van de Europese regeringen [op de kredietcrisis] is grotendeels te danken aan de kracht van het individuele leiderschap van Nicolas Sarkozy.” Exactement!

Inventief veranderden de Fransen hun ‘nationale’ stoelen in Europese, zodat Balkenende naast Sarkozy kon plaatsnemen, beiden onder Europese vlag. Dit arrangement was een indrukwekkend succes van de Nederlandse diplomatie.

Des te betreurenswaardiger dat de boel misliep. Geland in Washington maakte Balkenende rechtsomkeert vanwege het overlijden van zijn vader. De premier werd zoon, de staatszaak week voor privérouw. Helaas was vicepremier Bos thuisgebleven. Zo belandde staatssecretaris Jan Kees de Jager, oud-penningmeester van het CDA en politieke nobody, op het diner van de regeringsleiders in het Witte Huis, temidden van Bush, Hu Jintao, Lula en Medvedev. Een glijpartij op het marmer vervolmaakte zijn koddige debuut.

Is dit erg? Ja. Het was een historische tafel. De G20 in Washington was geen hernieuwd ‘Bretton Woods’ uit 1944, zoals Sarkozy en Brown wilden. Dat kon ook niet. De situatie vertoont wél parallellen met de geboorte van de G7, midden jaren zeventig. Geen bezegeling van de Amerikaanse economische en monetaire hegemonie, maar een antwoord op het relatieve Amerikaanse verval.

Vanaf de jaren zestig liepen de tekorten op de Amerikaanse betalingsbalans enorm op door militaire uitgaven voor Vietnam (nu: Irak). Deze tekorten werden vooral gefinancierd door Duitsland en Japan (nu: China en oliestaten). Toen Nixon in 1971 de goud-dollar-standaard uit Bretton Woods opzegde, ontstond in Europa ergernis over het onvoorspelbare monetaire beleid van Washington. Ook bekend klinken de oliecrisis door oorlog in het Midden-Oosten, de mondiale economische recessie en een vleugellamme president in het Witte Huis, toen vanwege Watergate.

In deze onzekere situatie nam de Franse president Giscard d’Estaing het initiatief voor economisch topberaad tussen Amerika, de grote drie Europese landen en Japan. Economische interdependentie eiste gecoördineerd optreden. Washington kon het niet langer alleen. In november 1975 hielden de leiders hun eerste top in een kasteel buiten Parijs.

Zoals 33 jaar geleden Europeanen en Japanners zich een met de Amerikanen gedeelde vergadertafel verschaften, zo betekent de G20 dat de Chinezen en andere niet-westerse machten verantwoordelijkheid voelen en nemen voor gezamenlijke problemen. Dat eergisteren geen harde besluiten konden worden genomen (alleen al vanwege Obama’s afwezigheid) is bijzaak. Wat telt is het precedent van de tafel.

Ook de vorige zichtbare machtsverschuiving ging gepaard met stoelengevechten. In 1975 werd Italië op het nippertje aan de gastenlijst toegevoegd: G6. Een jaar later nodigden de Amerikanen Canada uit: G7. In 1977 mocht ook de voorzitter van de Europese Commissie aanschuiven. Alleen op de tweede dag, maar mettertijd werd ook die klapstoel een stoel.

De kleine EEG-lidstaten hadden de geboorte van de G7 geërgerd gadegeslagen. Handelspolitiek deed Europa als blok; Parijs, Londen, Bonn en Rome mochten niet zomaar zaken doen met Amerika of Japan. De Benelux wilde dat de Commissievoorzitter namens de EEG (en de kleintjes) in de G7 zou zitten. Giscard was fel tegen. Kort voor de G7 van 1977 vochten de regeringsleiders het uit op een Europese Raad. Premier Den Uyl was door de Tweede Kamer geïnstrueerd weg te lopen wanneer Commissievoorzitter Jenkins géén uitnodiging voor die G7 in Londen zou krijgen. ‘The war of Jenkins’ seat’, smulde de Britse pers.

Wordt de Nederlandse klapstoel op de G20, zo dapper door De Jager warm gehouden, een eigen fauteuil? Voorjaar 2009 weten we meer. Het bewerken van vermoedelijk gastheer Brown kan vandaag beginnen.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/middelaar